'Einde pacificatie en verzuiling dichtbij'; Politicoloog Lijphart over huidige coalitie

NIJMEGEN, 30 SEPT. Het einde van de traditionele verzuilings- en pacificatiepolitiek is nabij. De belangrijkste theoreticus van deze twee begrippen lacht. “We zijn er nog niet helemaal”, zegt prof. dr. A. Lijphart. “Maar dit jaar is het einde van de pacificatie en verzuiling wel heel dichtbij gekomen.”

De massale kiezersbewegingen tijdens de laatste Tweede-Kamerverkiezingen, en het feit dat de christen-democraten hun machtspositie kwijt zijn, betekenen volgens Nederlands beroemdste politicoloog min of meer een afsluiting van het door hem beschreven tijdperk van 'Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek'. “In dat boek schreef ik dat er al in 1967 een kentering in de verzuilings- en consensus-politiek kwam toen D66 flink won, de KVP verloor en de PvdA ging polariseren. Achteraf gezien moet ik toegeven dat dat allemaal erg overdreven was. Allerlei elementen van verzuiling bleven - zij het in wat verzachte vorm - ook na die tijd voortbestaan, zoals in het onderwijs en bij de omroepen. Het verwijt dat de politiek tegenwoordig zo saai is, was exact altijd het verwijt tegen de pacificatiepolitiek.” Ook de omzichtigheid waarmee de paarse coalitie en het CDA met elkaar omspringen vindt Lijphart een voorbeeld van het overleven van de consensus-cultuur.

Niettemin mist de politicoloog nu twee wezenlijke trekken van het model dat hij in zijn klassieker beschreef: de spilpositie van de KVP, nu CDA, hoeders van de verzuiling bij uitstek, en de loyaliteit van kiezers aan hun politieke voorlieden. “Die twee komen, vermoed ik, niet meer terug.” Dat zijn boek al enige tijd niet meer wordt herdrukt, vindt hij dan ook een veeg teken.

De voltooiing van de politieke ontzuiling is niet zonder gevaren, zo betoogde de in Amerika wonende en werkende politicoloog vandaag voor de jubilerende vakgroep Politicologie van de Nijmeegse universiteit. Lijphart zei daar dat de verzwakking van de loyaliteit van kiezers aan hun partijen - overigens een algemeen westers verschijnsel - één van de oorzaken is van de dalende opkomstpercentages bij verkiezingen. Deze daling bedreigt volgens hem de legitimiteit van de democratie. Welgestelden nemen nog de moeite om naar de stembus te komen, lager opgeleiden haken steeds meer af. Het gevolg kan zijn dat politici zich alleen nog voor die welgestelden interesseren en een “dik, dom en tevreden land” creëren, zoals de Amerikaanse econoom J.K. Galbraith het uitdrukte in The Culture of Contentment.

“Het probleem bestaat al in de VS”, zegt Lijphart. “De lage opkomst daar is een grof schandaal. Het kiezerscorps in bijvoorbeeld Californië waar ik woon, ziet er heel anders uit dan de mensen op de straat: de kiezers zijn veel ouder, veel welgestelder, veel blanker. Maar uit de dalende opkomstcijfers in Europese landen blijkt dat daar het probleem ook groter wordt.”

Dat op 3 mei van dit jaar tot veler opluchting 78,7 procent van de Nederlandse kiezers naar de stembus toog, betekent volgens Lijphart niet dat de Lage Landen immuun zijn voor het legitimiteitsprobleem. Hij wijst erop dat die opkomst een van de laagste was sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1970. “Bovendien scoort Nederland bij provinciale en gemeentelijke verkiezingen nog lager. De Europese verkiezingen waren zelfs een debâcle met een opkomstpercentage van maar 36 procent. Natuurlijk kwam dat ook door een gebrek aan issues en aansprekende politici. Maar uit onderzoek blijkt dat opkomst en representativiteit sterk met elkaar samenhangen. Waarschijnlijk heeft het dus ook bij de Europese verkiezingen aan die representativiteit ontbroken.”

Om te helpen voorkomen dat ook in Europa de representatieve democratie uit het lood slaat, hield Lijphart een pleidooi voor herinvoering van de opkomstplicht die Nederland in 1970 is afgeschaft. Juist die plicht garandeerde immers een hoge opkomst en dus representativiteit. “Het heeft wel iets van Rousseau”, glimlacht Lijphart. “Die zei dat de 'mens gedwongen moet worden om vrij te zijn'. In mijn voorstel zit iets paternalistisch, iets dat het goed voor ons allemaal is dat we die verplichting aanvaarden. De democratie wordt er representatiever van, en is het is ook een middel om burgers weer te interesseren voor politiek. Bovendien is het in een democratie onacceptabel dat mensen uit luiheid niet gaan stemmen.”

“Natuurlijk is het belangrijk dat politici van politiek weer een interessant spel maken om kiezers naar de stembus te lokken, maar dat is niet voldoende. Je kunt meer doen. Als je er van uitgaat dat brandende issues in plaats van de opkomstplicht voor een hoge opkomst moeten zorgen, ben je er kennelijk tevreden mee dat die opkomst minder hoog is in tijden van minder issues.”

Dat een opkomstplicht een te zwaar middel is in een tijdperk van mondige burgers, of niet uitvoerbaar zou zijn (in België worden nauwelijks nog de boetes geheven die op niet-stemmen staan), vindt Lijphart geen argument. “Zo'n paardemiddel is de opkomstplicht toch niet? Hoeveel verkiezingen zijn er nu per jaar? En dat zo'n maatregel niet helemaal uitvoerbaar is, geeft niet zo. Dat was vóór 1970 waarschijnlijk ook niet het geval. Toch gingen er toen meer mensen stemmen dan nu.”