Een man met een kop vol ellende en een mond op slot

Voorstelling: Wolokolamsker Chaussee I & II van Heiner Müller door Theater Close Up. Vertaling en regie: Max van Engen. Spel: Cahid Ölmez. Gezien 29/9, Haarlem, Toneelschuur. Aldaar te zien 30/9 en 1/0. Daarna: Amsterdam, Brakke Grond (4/10 t/m 8/10) en Utrecht, Akademietheater (21/10).

Tien minuten lang doet hij niks, de acteur Cahid Ölmez. Hij komt op, grijs shirt, zwarte jeans. Hij zet een casetterecorder aan, gaat zitten. Niet bij ons in de buurt, niet in het midden, maar rechtsachter in de verte. Hij neemt een slok water, rolt een shagje, rookt en drinkt een kop leeg. Koffie, concluderen wij. Hij luistert, naar de Zevende Symphonie van Anton Bruckner. Nu en dan kijkt hij opzij, naar ons. Zijn blik is sterk, zijn ogen duwen ons nog verder weg dan we al zijn.

Die eerste tien minuten doet Cahid Ölmez niets en hij doet alles. Zonder een woord, zonder ondersteuning van hulpmiddelen als een speciaal kostuum, make-up, een decor of een rekwisiet, slechts met hulp van de door een te hoog volume vervormde klanken van de Brucknersymphonie, roept hij een man op met een kop vol ellende en een mond op slot. Die man wil graag kwijt wat er door zijn hoofd vecht, maar de woorden komen niet en de tong weigert dienst. Dan overwint hij zichzelf. Hij staat hij op. Hij komt naar voren, stapt op een roestig vloertje van vier vierkante meter en begint zacht te vertellen in de aan poëzie verwante woordenstroom waar de van oorsprong Oostduitse auteur Heiner Müller in excelleert.

Zijn verhaal kan zich tot op de dag van vandaag in elke oorlog afspelen, maar hij was nu toevallig een Russische commandant in de Tweede Wereldoorlog. Met zijn bataljon lag hij aan het front, tweeduizend kilometer van Berlijn, honderdtwintig kilometer van Moskou. Hij heeft twee geschiedenissen die zijn strot verbranden, Wolokolamsker Chaussee I & II heten ze samen, 'Russische Verklaring' en 'Woud bij Moskou' afzonderlijk. Ze gaan over geperverteerde beslissingen, over wanhoop, en vooral over commandant zijn en onmogelijke verantwoordelijkheden moeten dragen: 'Hield met mijn handen mijn hoofd en dacht/Wat moet ik doen dat deze mensenhoop/Een bataljon wordt voor de eerste slag'. In woorden die spartelend en struikelend zijn mond verlaten vertelt de commandant hoe bang hij was voor de angst van zijn soldaten, jongens die de oorlog uit de bioscoop kenden en nog nooit een Duitser hadden gezien. 'Alleen de schrik verdrijft de angst' wist hij en speculerend op dat effect beging hij een fout met een catastrofale gevolgen, ook voor hem persoonlijk.

Max van Engen voert een wrede regie. Zijn acteur laat hij eenzaam staan, als een jongen die zijn familie verloor - onbeschermd, hulpeloos, beperkt in zijn bewegingen, met armen die afhangen en een hand die af en toe steun zoekt aan een broekspijp. Hij heeft alleen zichzelf. Net als de commandant, die hij gestalte geeft, zou je kunnen zeggen, maar Van Engens regie is dubbelzinnig. De commandant die vertelt is een andere man geworden door de gruwelen die hij meemaakte en aanrichtte, maar dat onderscheid wordt weggeveegd. Is hij toe aan dramatische gebeurtenissen, dan staat Ölmez allang niet meer te vertellen, hij beleeft. Hij speelt of hij deel uitmaakt van een flashback, of hij hier en nu meemaakt, wat hem later met stomheid sloeg. Die sprakeloze man laat Van Engen met regelmaat uitbarsten in geschreeuw. Alleen wanneer hij weer de man met herinneringen is, met een klein beschrijvend gebaar, een zijdelingse blik, een brekend woord, sleept hij mee. Zo niet, dan weigert Heiner Müllers taal dienst: wat muzikaal was, verdwijnt in hol effect, poëzie wordt een preek en weg is de van spanning gezwollen, gepijnigde sfeer die Ölmez in de eerste tien minuten zo bewonderenswaardig opbouwde.