Dubbelgangers en driehoeksrelaties; Willem G. van Maanen over oorlog, seksualiteit en het gebrek aan erkenning

Het normale, dagelijkse leven in de oorlog is volgens schrijver Willem G. van Maanen in de Nederlandse literatuur nooit goed beschreven. In zijn eigen boeken koppelt hij oorlog vaak aan liefde en seksualiteit. “Thematiek is waarschijnlijk een ander woord voor obsessie.”

Willem G. van Maanen: Vertelde tijd. Uitg. de Prom, 152 blz. Prijs ƒ 29,50

Willem G. van Maanen is een schrijver die graag praat. In zijn boeken komt vaak een verteller voor die zich richt tot een ander, want, zegt Van Maanen, dan blijf je dichter bij de spreektaal. Dat is wat hij wil. Het moet vloeien, de lezer moet als het ware niet merken dat hij leest, hij moet wat er staat ongehinderd in zich opnemen. “Geen mooischrijverij.” Ook de mondelinge Van Maanen is een schrijver die graag praat. Vanaf het moment dat we elkaar op het station van het Friese plaatsje Buitenpost de hand schudden tot aan het moment, vijf uur later, dat we dat opnieuw doen maar deze keer ten afscheid, is hij aan het woord.

In de auto op weg naar Ee, waar hij met zijn vrouw in een verbouwde boerderij woont, vertelt hij dat hij zijn in 1960 geboren zoon op zijn vijfde jaar over 'moffen' hoorde spreken en dat hij daarvan schrok. Dat kon die jongen van niemand anders dan van zijn vader hebben. Dus toen hij wat groter was gingen ze maar eens samen naar Duitsland. Dat moest er toch een keer van komen, want hij was er nooit geweest na de oorlog. In Trier zaten vader en zoon op een terras, waar ondanks de warmte zuurkool werd geserveerd. Twee dames, waarvan de ene bijzonder dik was, aten er een bord van leeg en toen ze op wilden staan bleef de dikke aan het stoeltje vastzitten, dat wil zeggen het stoeltje aan haar, achterwerk en stoeltje lieten zich niet meer scheiden. “We hebben gehuild van het lachen,” zegt de 74-jarige schrijver, “en ik dacht: een land waar je zo kan lachen kan toch ook niet helemaal verkeerd zijn.” Hij zegt dat hij de mensen er nu echt niet meer op aankijkt of ze goed of fout geweest zijn in de oorlog, nu ja, een enkele misschien nog, van zijn leeftijd.

Friesland is wijd en leeg en het plaatsje Ee bestaat bijna niet, al zijn er twee kerken, een hervormde en een gereformeerde. Het is er dorps rustig en landelijk heerlijk, met veel koffie en rozijnenbrood en boterhammen en Friese duumkes en een onderhoudend pratende schrijver. Vroeger, dat wil zeggen tot ruim tien jaar geleden, werkte hij voor de radio, eerst bij de VARA, daarna bij de Wereldomroep. “Bij de radio mocht je nooit met een bijzin beginnen, want dan moest de luisteraar veel te lang wachten op de hoofdzaak. Alles moest in heldere eenvoudige zinnen, dat heeft wel invloed op mijn schrijverij gehad. Maar ik schrijf ook wel eens een lange zin hoor.” Nog steeds vindt hij radio een mooi medium, maar de manier waarop nu informatie wordt gebracht, bevalt hem niet zo. “Tegenwoordig is de radio ontaard in een soort telefoon, de luisteraar heeft veel te veel te zeggen. Die moet niets zeggen, die moet luisteren.”

Kransleggen

In zijn laatste boek, Vertelde tijd, duikt de oorlog geregeld op. Er is het verschrikkelijke verhaal 'In het museum van de vernietiging', waarin een gids in een holocaustmuseum een groep scholieren toespreekt - 'We bevinden ons hier, jongens en meisjes, in een treinwagon' - en ze dwingt hen zich tot het uiterste in te leven in de personen die ooit in deze ruimte hebben gestaan, op weg naar de kampen - 'De wagon die ons nu in oostelijke richting voert is niet van het oorspronkelijke model nagebouwd maar is het origineel zelf'. Steeds erger wordt het, drieëneenhalve bladzijde bijna komische verschrikking. “Met een ijzeren pen geschreven,” zegt Van Maanen “dat luisterde heel nauw. Bij zo'n verhaal kun je je niet laten gaan, het moet precies goed zijn en het mag ook niet te lang duren. Je moet een lezer gelegenheid geven tot pauzeren en ademhalen, dat heb ik hem in vroegere boeken vaak niet gegund. Arme lezer.” Hij is geen voorstander van het in zijn ogen dolgedraaide herdenken en het verheerlijkende kransleggen, al wil hij beslist niet dat de oorlog vergeten wordt. Maar hij gelooft niet zo in de mooie stemming waar iedereen tijdens herdenkinsplechtigheden ineens van bezield lijkt. “Probeer maar eens verheven gedachten te hebben op een begraafplaats. Dat lukt niet. Je denkt aan het weer, aan dat je zo nog naar de bakker moet en niet moet vergeten om iemand te bellen, op zijn best denk je: goh, wat een bijzondere grafsteen.”

Behalve in dit verhaal speelt de oorlog ook een rol in de drie verhalen met de titel 'Drie dodelijke recepten voor een driehoek in oorlogstijd', heel kortaf, bijna schematisch geschreven schetsen van bedrog en identificatie. Vooral het tweede, waarin het bedrog van een geliefde op een moment aan het licht komt waarop die ontdekking dodelijk moet zijn, is huiveringwekkend en aangrijpend. Het is niet mogelijk dit verhaal na te vertellen, zelfs niet om het voor te lezen en wie het leest moet maar zien dat hij zichzelf daarna weer bij elkaar veegt. “In de bijbel worden gruwelijke feiten vaak in drie regels beschreven,” zegt Van Maanen, “daar kun je iets van leren. Hoe gruwelijker het is, hoe korter je het moet beschrijven, anders verliest het aan kracht.”

De oorlog dus. In bijna alle boeken van Van Maanen duikt die tijd in een of andere vorm wel op, met de bijbehorende schijn en het bedrog en de seksualiteit van dicht op elkaar zittende mensen. 'Het grote wapenfeit van Helse steen [is] dat er het seksuele van de oorlog, of liever van de bezetting, zo goed in wordt opgeroepen' schreef Willem Jan Otten in zijn essay over Van Maanens roman Helse steen. Dat geldt niet alleen voor die roman, het is een thema dat steeds weer opduikt in Van Maanens werk: liefde en oorlog, dood en seks. “Thematiek is waarschijnlijk een ander woord voor obsessie,” zegt de schrijver.

Tijdens de Duitse bezetting maakte Van Maanen deel uit van de verzetsgroep van Joop Westerweel, hij verzorgde onderduikadressen voor joden. Nu zegt hij: “De oorlog wordt te veel geschiedenis, hij is al bijna voorbij. Maar voor mij en voor anderen die hem hebben meegemaakt is hij helemaal niet voorbij. De mensen moeten het niet vergeten, ik zal het ze zo zeggen dat ze er niet onderuit kunnen. Dat is mijn onderwijzerskant, om dat zo te benadrukken. Ik was te dom om onderwijzer te worden maar ik wil graag beleren. Mensen kunnen zich ook werkelijk niet voorstellen hoe het was, oorlog. Als ik nog denk aan mezelf als kind, toen de onderwijzer vertelde over de Tachtigjarige oorlog, ik stelde me echt voor dat ze tachtig jaar lang vochten. Het leven gaat natuurlijk gewoon door tijdens een oorlog. Overal vallen doden, maar je vriendin zal je hebben. Niemand denkt: vandaag ben ik maar eens niet overspelig want het is oorlog. In de Nederlandse literatuur is eigenlijk nooit goed beschreven hoe een gewoon mens de oorlog doorkroop. Hermans heeft dat wel een beetje gedaan, dat is eigenlijk de enige. Maar Vestdijks Pastorale 1943 lijkt nergens op, dat is typisch achter de schrijftafel verzonnen.”

Oude baasjes

Vertelde tijd houdt een geheimzinnig midden tussen roman en verhalenbundel. Er is een schrijver, een zekere Federkiel (“dat betekent penneschacht” zegt Van Maanen) die verhalen schrijft waarin dikwijls het mysterieuze en aantrekkelijke personage Abbi Quintal voorkomt. Aan het eind van het boek neemt Abbi Quintal zelf het woord om Federkiel op allerlei punten te corrigeren en tegen te spreken en om hem als ijdeltuit aan de kaak te stellen. In de verhalen vinden we talloze driehoeksrelaties, dubbelgangers en incestueuze verhoudingen - alles lijkt gespiegeld steeds weer terug te komen, in een ingenieuze constructie. Maar Van Maanen wil daar niet gewichtig over doen. “Ach, dat lijkt misschien heel diepzinnig, maar het is vooral een spel. Je construeert eigenlijk helemaal niet als schrijver. Natuurlijk denk ik wel eens: als ik dìt nu op bladzijde 1 doe dan kan ik straks dàt doen op bladzijde 5, maar het meeste komt gewoon onderweg, er is veel toeval. Ik doe vaak maar eens wat, naderhand kan ik immers weer schrappen. Vroeger deed ik het niet zo, toen wist ik precies waar ik heenging. Ik wilde altijd iets beweren, dat was ook mijn zwakte, ik heb wel eens gelaboreerd aan een zekere drammerigheid. Nu schrijf ik van alles op, soms ook klamp ik me ineens vast aan een bijfiguur, in een soort reddende sprong. De stijl is eigenlijk het enige wat je echt kunt beheersen, daar doe ik dus heel veel aan. Maar het gevaar daarvan is weer dat je je gaat verschansen in de formuleringen, die zijn dan heel goed maar er staat eigenlijk niets in. Het moet niet te makkelijk worden, je moet steeds onderzoeken of je nog streng genoeg bent. Nu ja, het is nu ook weer niet zo calvinistisch dat ik denk: wat makkelijk is, is zondig.”

De verhaalvorm van Vertelde tijd bevalt Van Maanen heel goed, beter dan de roman, die hij eigenlijk niet zijn genre vindt, al heeft hij verschillende heel mooie romans geschreven, zoals De onrustzaaier, het eerder genoemde Helse steen en het uit twee boeken bestaande Een eilandje van pijn, waarin op de linker bladzijden een schrijversdagboek wordt bijgehouden dat grondstof en commentaar levert voor het op de rechter bladzijden vertelde verhaal. Maar het is waar dat ook die romans vaak uit fragmenten en verhalen bestaan. “Ik heb geen behoefte aan grote bouwwerken,” zegt Van Maanen, die nu aan een novelle werkt. In een roman zit hij bovendien langer opgescheept met zijn personages, die zich ook nog moeten ontwikkelen. Lastig, zeker voor een schrijver die toch al zo'n moeizame verhouding heeft tot zijn personages. “Ik hou niet van ze,” zegt hij. “Een tijdlang had ik een sterke voorkeur voor gemene oude mannen, ongetwijfeld beïnvloed door Marnix Gijsen, die had ook altijd van die knorrige oude baasjes. Ik werd door hem heel aardig gecomplimenteerd met De onrustzaaier. Later zag ik dat het precies zo'n roman was zoals Gijsen ze schreef. Dat had hij er waarschijnlijk ook in herkend. Maar nu ik zelf ouder word, heb ik geen zin meer in die vervelende oude mannetjes.”

Psychologie

Het is waar dat Van Maanens vertellers niet altijd sympathiek zijn, maar dat komt misschien ook omdat ze nogal eerlijk durven te zijn. Ze verhullen hun eigen domheid of botheid niet, evenmin als hun verlangens en zwakheden. Ze maken het zichzelf, en de lezer, moeilijk. Van Maanen: “Een mens is een vat vol tegenstrijdigheden, maar dat moet je in een roman aannemelijk maken, anders neemt de lezer het niet. Die vindt het dan gewoon inconsequent. Niemand kent zijn eigen motieven, men handelt vaak uit heel andere drijfveren dan wordt voorgegeven. Joop Westerweel, die in de oorlog echt veel heeft gedaan, - net als zijn vrouw Wil trouwens, een kolossaal stel mensen - die zei een keer tegen mij: 'Jij denkt misschien dat ik dat allemaal voor die mensen doe, om ze te helpen. Dat is niet zo, ik doe het eigenlijk voor mezelf.' Dat begreep ik wel, als je iets nalaat kun je je veel beroerder voelen dan als je het maar doet. Je wilt je eigen beeld niet beschadigen dus doe je iets dat heel altruïstisch lijkt. Dat is met veel werk zo. Verpleegsters in ontwikkelingslanden bijvoorbeeld. Die doen dat niet om die mensen daar te helpen. Die doen dat voor zichzelf.

“Een tijdlang heb ik de gewoonte gehad om alles gewoon om te draaien wat de mensen zeiden. Zeg je dat je het voor anderen doet? Dan doe je het voor jezelf. Psychologie van niets, maar het levert soms wel iets op.”

Van Maanens gebrek aan psychologisch inzicht, althans zijn onwil om in naar zijn smaak te weinig subtiele psychologische categorieën te denken, levert zelfs nogal veel op. Het stelt hem in staat om van alles te aanvaarden, of in ieder geval te beschrijven, zonder te verklaren. Hij schrijft over mensen, nooit over gevallen. Zo kan hij zonder te oordelen over incestueuze verhoudingen schrijven; in Hebt u mijn pop ook gezien? ontstaat zelfs een vriendelijke pedofiele liefde. “Misschien zet je jezelf wel aan de kant door zulke verhalen, wie wil dat nu lezen,” zegt hij.

Na veertien boeken zou Van Maanen wel over zijn oeuvre mogen spreken, maar dat vindt hij geen woord dat past bij wat hij tot nu toe heeft gedaan. Daar is zijn werk te wisselend voor, meent hij, en bovendien is een oeuvre typisch iets dat men achteraf blijkt te hebben, het is geschiedschrijving, een oeuvre bestaat alleen in de terugblik. Bouwen aan een oeuvre, zo gaat het helemaal niet, je bouwt toch ook niet aan je leven. “De boeken die je geschreven hebt zijn voetstappen die je gezet hebt, soms staan ze er duidelijk, soms ben je weggezakt in de prut. Je legt een weg af, dat is het.” Op die weg is hij, ten onrechte, niet door heel veel lezers gevolgd, al had De onrustzaaier echt succes. “Ik heb nooit veel last gehad van mijn gebrek aan populariteit,” zegt hij, en er is bij zoveel vitaliteit en bij zulke met inzet en duidelijk plezier geschreven boeken niets wat aanleiding geeft om aan die uitspraak te twijfelen. Van verslagenheid om verkoopcijfers is geen sprake. Van Maanen zegt zelfs: “Ik denk dat ik krijg wat ik verdien. Ik ben wel eens, samen met Alfred Kossmann en Henk Romein Meijer tot de zogenaamde 'veronachtzaamden' gerekend. Nu dat gaat, het is beter dan 'miskend'. Want miskend ben ik helemaal niet, ik heb drie prijzen gekregen, mijn laatste boek is heel goed besproken, daar ben ik blij om. Dat ik niet verkocht word is niet mijn probleem maar dat van de uitgever. Iemand die een pak suiker maakt, verkoopt het toch ook niet zelf? Dat is mijn taak niet, al zou het natuurlijk wel makkelijk zijn als ik veel extraverter was, zoals Jan Wolkers bijvoorbeeld. Maar ik ben een man die in zichzelf zit te mummelen, dan kun je niet verwachten dat de mensen naar je boeken grijpen.”

Van lezers-afschrikkend mummelen is noch mondeling, noch schriftelijk sprake, dat is een nogal onrechtvaardige zelfbeoordeling. Er is bovendien altijd een kleine maar trouwe schare van Van Maanen-bewonderaars geweest. Herman de Coninck noemde hem zelfs onlangs, met alle waardering overigens, een 'writers writer'. Dat klinkt naar vormexperimenten en ontoegankelijkheid, terwijl Van Maanen juist altijd de lezer wil verleiden met mooie melodieën en verrassende gedachtensprongen. “Ik maak geen gedachtensprongen,” zegt hij. “Dat lijkt wel zo, maar dat komt omdat ik niet kan denken. Ik wil wel iets formuleren op een eigenzinnige manier, zodat je een andere toegang krijgt. Alsof je door een deur stapt die verdwenen was.”