De verschrikkingen van literatuur; Griezelen met God

Kinderen gruwelen bij sprookjes, bij Griekse mythen en bij verhalen van Edgar Allan Poe. Behalve als ze eerst de Bijbel hebben gelezen. Zelfs videospelletjes waarin het bloed in het rond spat alsof er een zeppelin met tomatenketchup explodeert, worden dan zouteloos.

Vergeleken met de verhalen over het reilen en zeilen van de bloeddorstige en grimmige oudtestamentische God uit mijn jeugd moeten de sprookjes van Grimm kleuterkost voor ongelovige dreumesen zijn geweest. De Bijbel, dat op last van de Hoogmogende Heren Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandse taal getrouwelijk overgezet gruweloratorium, waarin die uit Dode-zeezout en woestijnzand geknede, niets en niemand ontziende Michelangelesque geweldenaar vanaf het podium boven het gewolkte en gesternte de kardinale partij galmde en bulderde, heeft door overbemesting van de geest met de gier der verschrikking talrijke generaties onnozele kinderen het lachen al vroeg doen vergaan in een zure regen van vrees en tranen. Het onverbiddelijk lik op stuk beleid van een God der wrake dreef je al vroeg uit het gelukzalige paradijs waar goed en kwaad geen betekenis hadden. Want was het sprookje van Hans en Grietje, ondanks de aanzet tot kannibalisme, geen story met een happy ending vergeleken bij de Egyptische plagen? De gruwelijke dood van alle eerstgeborenen, zodat je vaak bij het ochtendgloren met vrees naar het slapende gezicht van je oudste broer naast je in bed keek of hij nog wel ademde. Water dat in bloed veranderde, zodat in de morgenstond je naar voren buigende montere jongenshoofd verstijfde voor de wastafel uit angst dat er in plaats van leidingwater bloed uit de kraan zou spuiten.

De zevende plaag, waarin hagel naar beneden suist, zo groot en met zoveel geweld dat het verheven aangezicht van de Sphinx erdoor veranderde in een stompe hondekop terwijl de Egyptenaren aan de voet van het monument door kokosnoten van ijs tot hacheevlees werden vermorzeld. In het sprookje De Kikkerkoning is de koningsdochter al vies van één kikkertje, terwijl in de Bijbel bij de tweede plaag een vast tapijt van glibberende vorsen over heel Egypte wordt uitgespreid die, als ze creperen en door de Egyptenaren in piramidehoge bergen verzameld worden, het ganse land hullen in een dikke infernale stank. Er was geen zoenen aan, want zestig miljoen prinsen, dood of levend, zouden ook de Nijldelta uitgestonken zijn. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de andere plagen van luizen en wriemelend vraatzuchtig ongedierte, de drie dagen tastbare duisternis, de veepest en de zonlicht verduisterende wolken sprinkhanen die als kwaadaardig zaaigoed uit de doos van Pandora van die bekrompen Blauwbaard over het kunstzinnigste volk van de toenmalige beschaafde wereld werd uitgestrooid.

Het Er was eens dat met een stift van druipkaars geschreven leek vlinderde zich noodwendig te pletter tegen het in rotssteen gebeitelde En het geschiedde. De lieflijke hoofse omgang van prinsen met koningsdochters en geitenhoedstertjes verbleekte als een aquarel in de regen bij de onbehouwen olieverfstreken van de woestijnse mores. Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam hij de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. (Dat betekende dat hij het niet meer met ze deed, zoals mijn broer me uitlegde). En zij waren opgesloten tot op den dag van haarlieder dood, levende als weduwen. En zij leefden nog lang en ongelukkig!

Ach, griezelen met God is eigenlijk een veel te gezellige en gezapige voorstelling van zaken. Het was huiveren, rillen, 's avonds met knikkende knieën de trap naar je zolderkamertje opstrompelen om bovenaan bij het trapgat in een groezelig lichtschijnsel die gruwelijke gestalte te zien verschijnen, die siamese tweeling van God en duivel, waar je met gesloten ogen en al je bij elkaar geraapte jongensmoed doorheen moest om buiten adem en met bonzend hart met je kleren aan onder de dekens te duiken.

Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en voeten doorgraven. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

'Bedankt voor het voorlezen van een sprookje voor het slapen gaan, vader. Ik zou eens als een roos in slaap mogen vallen.'

'Hé vader, was het nou Repelsteeltje die op Golgotha gekruisigd werd of Vrouw Troet?'

'Wat zeg je, jongen.'

'De Here der Heerscharen zij geprezen, vader.'

'Tot in der eeuwigheid, jongen.'

'Het was toch Klein Duimpje, hè vader, die nadat hij vier dagen in het graf gelegen had opgewekt werd.'

'Ja, dat was Lazarus, jongen. Hij riekte reeds.'

'Vader, zou u er iets op tegen hebben als ik de Bijbel bladzijde voor bladzijde dichtplakte?'

'Wat zeg je, jongen?'

'Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen.'

'Psalm 22 vers 18. Het evangelie gaat bij jou gelukkig niet het ene oor in en het andere uit.'

'Tafeltje dek je, ezeltje strek je, knuppel uit de zak.'

'Wat zei je, jongen?'

'Ik vroeg waar de lijm staat, vader.'

In mijn ouderlijk huis heb ik nooit een boek met sprookjes kunnen ontdekken tussen Bijbel en Bilderdijk en tussen Abraham Kuyper en Kun je nog Zingen, wat mijn broer een keer deed mompelen tegen de rug van mijn vader toen mijn moeder alweer zwanger bleek, 'Kun je nog voor het zingen de kerk uit.' De sprookjes van Grimm leerde ik buitenshuis kennen. Op vrije woensdagmiddagen bij vriendjes en vooral bij een nichtje waar ik wel eens logeerde en die me de schoonste leek van het hele land. Bij haar ontmoette ik ook Bruintje Beer, dat keurigbrave beestmanneke in geruit broekje en strumadasje. Vooral de tekst met dat wonderlijke rijm en ritme bracht me aan de rand van de vervreemding.

Hij rekt zich uit en pakt er een ei. ' 't Is waar warempel,' zegt hij blij. 'Als we één laten liggen, dan kan het geen kwaad! Zo'n vogel immers niet tellen gaat!'

Aan een heel stille, geheimzinnige plek, omringd door hoge bomen, is de Prinses met Bruintje Beer na vijf minuten gekomen. De schone Prinses valt op haar knieën en plukt ten laatste een takje af, zo voorzichtig als ware het van glas.

Van de illustraties van Mary Tourtel dacht ik altijd dat het zoekplaatjes waren. Dat er ergens tussen de takken of tussen twee stammen ingeklemd een hondje staande op zijn kop verborgen zat.

Er mogen dan geen sprookjesboeken rondgeslingerd hebben, het ouderlijk huis is niet helemaal vrijgebleven van de wereld van hekserij en drollige dwergen, al was het dan via het laken dat als projectiescherm diende in het kielzog van De Bijbel in 48 Lichtbeelden. De sprookjes van Grimm, een presentje van een oom. Ik had al gauw door dat ze door dezelfde Duitse tekenaar vervaardigd waren als de bijbelse taferelen, omdat Mozes die zijn arm bevelend opheft aan de oever van de Rode Zee - die in de Bijbel Schelfzee genoemd werd, wat een griezelige naam was alsof die zee al genoemd was naar de verdronken Egyptische soldaten die door de schelvissen verorberd zouden gaan worden - dezelfde unverfroren teutoonse gelaatstrekken vertoonde als het Dappere Snijdertje dat door net op tijd weg te springen voor een boom vandaan de verwoede eenhoorn, die in dolle drift op weg is om hem te spietsen, zichzelf in de stam vast laat stoten. Van al die kleurige prentjes is er een van Hans en Grietje dat me is bijgebleven. De afbeelding, gevangen tussen twee glasplaatjes, is een van de weinige voorwerpen die ik indertijd uit het ouderlijk huis heb meegenomen. Grietje zit er veilig op de rug van een smetteloos witte zwaan die zijn vleugels beschermend om haar heen vlijt zodat ze als het ware in een ledikantje van dons vertoeft terwijl ze met haar mollige armpjes zijn hals omklemt. Aan Hans, die op de oever wacht tot hij ook overgezet zal worden, zie je dat hij er niet veel fiducie in heeft dat ik, ik bedoel de zwaan, ooit terug zal komen om hem over te zetten. En zo was het ook in mijn jongensdroomwereld. Ik hield zijn zustertje bij me tot ze oud genoeg zou zijn om Zwaan-Kleef-Aan te doen. Zelfs veel later nog, toen ik dat schitterende gedicht van Yeats 'Leda and the Swan' las, was mijn eerste gedachte dat dat onnozele moffinnetje was uitgegroeid tot een struise koningsdochter.

A sudden blow; the great wings beating still Above the staggering girl, her things caressed Bij the dark webs, her nape caught in his bill, He holds her helpless breast upon his breast. Nu ik zelf twee jongens in de griezelende leeftijd bezit, betreur ik het soms dat ik ze niet van jongs af aan de Bijbel zo geloofwaardig heb kunnen voorlezen als mijn vader indertijd gedaan heeft, maar als het geloof en de liefde je daartoe ontbreken, ben je volgens Paulus een klinkend metaal of een luidende schel. Misschien was me dan wel het agressieve krijgsgehuil van de videospelletjes gespaard gebleven dat nu maar al te vaak door onze zalen schalt. Het spastisch op elkaar inhakken van Liu Kang en Barka waarbij het bloed in het rond spat alsof er een zeppelin met tomatenketchup explodeert, het gebrul van finish him van lieden die lichtjaren verwijderd staan van de man van smarten die gezegd heeft, dat als je op je rechterwang geslagen wordt je je linkerwang moet toekeren. Dan hadden ze Mileena, die haar tegenstandster als ze haar overwonnen heeft verslindt als een reptiel zijn prooi en de botten uitspuwt, waarschijnlijk even zouteloos gevonden als ik vroeger de sprookjes. Want zo gaat dat als je door de gruwelen uit de Bijbel gepokt en gemazeld bent. En er werd een ander teken gezien in de hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. Dat is andere koek, alhoewel ik moet toegeven dat ik bij de aanblik van de moordlustige draak de neiging krijg om, voordat de vliezen breken, te schreeuwen FINISH HIM.

Over griezelen en huiveren kun je niet in algemene termen spreken. Ieder jong mensje heeft zijn eigen aard en karakter. Het ene kind ligt al bij een gesneuveld vlindertje welhaast in coma terwijl het andere kind ijskoud in staat is om de oogkas van het ingevallen oog van een pas gestorven grootouder als eierdopje te gebruiken en zonder bibberen of blozen zijn zachtgekookt ontbijteitje te gaan verorberen. Nee, ik ga niet vertellen dat hij de andere oogkas als zoutvaatje zal gaan gebruiken. Ik ben Roald Dahl niet.

Als je je kinderen toch wat innerlijk griezelbehang wilt meegeven, en de horrorstories van God moeten een gesloten boek blijven, kun je niet zonder de Griekse mythologie. Wat ze vooral verschrikkelijk eng vonden was niet zozeer het uitpikken door de adelaar van de lever van Prometheus, maar dat dat bloederige orgaan 's nachts weer aangroeide waardoor iedere ochtend opnieuw wat weg te scheuren viel zodat het ingewand van de Titaan op een voederbak voor roofvogels ging lijken. Ook het blindmaken van Polyphemus met een vurige staak liet ze niet onberoerd en ze vonden eigenlijk wel dat een van de rotsblokken die de tot braille veroordeelde cycloop vanaf de wal naar het klassieke zooitje ongeregeld werpt, als ze in hun schepen vluchten, doel had mogen treffen. Vooral omdat Odysseus hem vanaf de voorplecht het bloed onder de nagels vandaan sart met zijn blufferig gebral.

Toen ze een jaar of acht waren ben ik met het voorlezen van Edgar Allan Poe begonnen. De moorden in de rue Morgue. Indertijd hoorden ze het vrij onbewogen aan, maar dat de uit zijn evenwicht geraakte orang-oetan van beide vrouwen de botten versplinterd had als vurehouten latjes, de tong doormidden had gebeten, de kelen met een scheermes had doorgesneden en vooral dat de razende mensaap de dochter als de ragebol van een schoorsteenveger de schoorsteen ingeduwd had, weten ze zich nog levendig te herinneren. De hoofdpersoon uit De Zwarte Kat, die zielsveel van zijn kat houdt, die de veelbetekenende naam Pluto heeft, naar de god van de onderwereld, ondergaat een karakterverandering door overmatig alcoholgebruik. Je zou kunnen zeggen dat hij de slogan 'Geniet, maar drink met mate' aan zijn verslaving aangepast heeft. 'Geniet met mate, maar drink!' Als hij op zekere avond stomdronken thuiskomt en zijn kamer inwaggelt, is de kat panisch bang voor hem. Geïrriteerd grijpt hij het beest zo hardhandig vast dat het hem in zijn angst bijt. Dan ontsteekt de alcoholist in zo'n woede dat hij zijn eigen lieve Pluto uit duivelse kwaadaardigheid met een pennemes een oog uitkerft. Toen kwamen er wel wat traantjes te voorschijn bij de ontstelde jongens. Want ze hadden gedacht dat het een verhaal was over een man die gezellig met zijn kat samenwoonde. Dan kennen jullie Poe nog niet. Ja jongens, drank maakt meer kapot dan je lief is.

Ik heb ze natuurlijk niet alleen gevoed met de verschrikkingen van de literatuur. Ze hebben ook lieflijke boeken gelezen. Winnie de Poeh. Dat vonden ze 'hartstikke zoet'. Alice in Wonderland bracht ook geen rilling te weeg. Daar moet je waarschijnlijk ouder voor zijn om te beseffen hoe griezelig goed dat is. En nu? Ik vrees dat ze een poosje voor de literatuur verloren zijn. Ze kijken met brandend verlangen uit naar de All Night Horror Show die binnenkort in de bioscoop komt. Henry, Portrait of a Serial Killer, Cannibal Holocaust, Return of the living Dead, In the Mouth of Madness.