Beroemd zijn geeft alleen maar geflierefluit; De jongste popgroepjes van Nederland

In Het Muziekpakhuis in Amsterdam leren jonge muzikanten om samen te spelen in popgroepjes. De leraar die de repetities begeleidt, ziet deze manier van muziek maken als 'tegenwicht' in een wereld van kinderplaybackshows en karaoke. Hij eist discipline: “Het kan me niet schelen of je gitaar bij je vader of je moeder of bij de hond ligt; het is geen excuus om niet te oefenen.”

“Hebben we hier de beste bassist ter wereld en dan zit 'ie me toch een partij te klooien,” roept leraar Arnold. “Elke goeie bassist heeft toch wel eens een pechdag,” zegt drummer Dirk. De 'beste bassist ter wereld' zelf zit ondertussen ingespannen aan de snaren van zijn rode gitaar te trekken. Hij heet Ita en is twaalf jaar.

Op woensdagmiddag geeft Arnold Schellens (36) les in popmuziek op Het Muziekpakhuis in Amsterdam. Leerlingen tussen de tien en vijftien jaar oud, die al minstens twee jaar een instrument bespelen, kunnen hier leren samenspelen in popgroepjes. Schellens formeert de groepen en begeleidt de repetities. De muzikanten mogen om de beurt een bestaand nummer uitkiezen, dat dan door de hele band wordt ingestudeerd.

Vanmiddag oefent I.C.D.J. Bulls. De naam is een acroniem van de namen van de bandleden: bassist Ita, pianist Coen (12), drummer Dirk (12), zanger Jonas (12) en gitarist Boele (11). Schellens laat een opname horen van het nummer dat deze les zal worden gespeeld: 'Cats In The Cradle', van de Amerikaanse rockgroep Ugly Kid Joe. Hij waarschuwt dat het nummer makkelijker lijkt dan het is: “Het zijn steeds dezelfde stukjes die elkaar afwisselen, maar de maten duren niet even lang. Sommige zijn ineens twee tellen langer of korter. Dat is vooral moeilijk voor de drummer.”

Om de beurt nemen de muzikanten hun partijen door, die ze geacht worden van te voren te hebben bestudeerd. Zo te horen hebben ze dat ook. Behalve Boele, maar dat komt doordat zijn gitaar bij zijn moeder stond en hij door de week bij zijn vader woont. Dirk heeft hetzelfde probleem; hij woont de ene week bij zijn moeder en de andere week bij zijn vader. Zijn drumstel staat in het huis van zijn moeder dus kan hij alleen om de andere week oefenen. Arnold heeft geen mededogen: “Het kan me niet schelen of je gitaar bij je vader of je moeder of bij de hond ligt; het is geen excuus om niet te oefenen.”

Maar uiteindelijk, als de zanger zijn microfoon mag openzetten en een perfecte, maar aanzienlijk lieftalliger interpretatie geeft van de zanglijn dan in het origineel, beginnen de contouren van 'Cats In The Cradle' zich toch af te tekenen. “Prima,” zegt Schellens. “Dan is het nu tijd voor...” “Limonade!” vult Coen aan. “Nee, voor jullie andere hit: 'Born To Be My Baby'.”

Terwijl Coen met overgave zingt ('You were born to be my baby/ I was made to be your man'), vertelt Schellens over de opzet van de les; over de kwaliteit van de apparatuur, waardoor de uitvoeringen van nummers door beginners toch snel een 'professionele' indruk maken. “Als het goed klinkt werkt dat stimulerend. Maar iedereen moet hier wel echt zijn instrument kunnen bespelen; ik laat nooit automatisch een voorgeprogrammeerde baspartij meelopen bijvoorbeeld.”

Karaoke

Schellens ziet deze manier van muziek maken als 'tegenwicht' in een wereld van kinderplaybackshows en karaoke. “Ik heb een pesthekel aan al die shows waar het lijkt alsof alles moeiteloos gaat, omdat de kinderen daar mee kunnen zingen met allerlei geavanceerde apparaten. Ik vind het een verkeerd gebruik van de technologie. Het líjkt alsof een song uitvoeren heel makkelijk is, en dat is natuurlijk helemaal niet zo. Daar moet je hard op oefenen.”

Aan de belangstelling voor zijn lessen op Het Muziekpakhuis merkt Schellens dat de leeftijd waarop kinderen zich met popmuziek bezig gaan houden, steeds jonger wordt. De leden van I.C.D.J.Bulls zijn allemaal omstreeks hun negende begonnen met drums of elektrische gitaar. En op de uren voor instrumentale oriëntatie zitten nu kinderen van zes 'die alleen maar willen housen'. “Ze kennen alle hits van 2 Unlimited, en ze kunnen vaak ook al fantastisch rappen. Mij maakt het niet uit welk genre van de popmuziek ze uitkiezen. Het gaat me er maar om dat ze durven zingen, dat ze zich zich durven uiten.”

Behalve Boele, die Jimi Hendrix en Eric Clapton als voorbeeld heeft, houden de leden van I.C.D.J.Bulls allemaal het meest van grunge en hardrock. Drummer Dirk vindt Bon Jovi het best: “Dat soort muziek is ook het leukst om te spelen. Dan kan ik meppen en mijn agressie mooi op mijn drumstel kwijt. Of ik idolen heb? Nou nee, of eigenlijk alleen mijn drumleraar.”

Jonas, de zanger van de band, was vroeger fan van Michael Jackson. “Ik heb hard geoefend om te zingen en te dansen als hij. Ik had ook een Michael Jackson-pak. Maar toen ik hoorde dat hij kinderen mishandelde was het over. Ik hou nu het meest van Bon Jovi en Guns N' Roses.” Verdiept Jonas zich als zanger ook in de teksten die hij zingt? “Het kan me niet schelen waar een liedje over gaat. Ik zing alles.”

Vier van de vijf jongens zijn net begonnen op het Barlaeus Gymnasium. Ze hopen met hun band ook daar op te gaan treden (“weer eens wat anders dan een klassiek orkest”). Fantaseren ze over een toekomst als popmuzikant? Jonas: “Ik wil dit voor de lol blijven doen, niet als werk. En beroemd worden.. ach, al dat geflierefluit om je heen. Ik wil iets met computers, programmeren ofzo.” Dirk 'denkt' wel eens aan beroemd worden, maar volgens Coen betekent het 'alleen maar ellende'.

Snipverkouden

Een paar dagen later treedt I.C.D.J.Bulls op tijdens een Solidariteitsfestival in Amsterdam Oud-West. In een gymzaal van een lagere school staat de groep tegen een achtergrond van voetbalgoals en klimrekken. Het hele repertoire wordt uitgevoerd, van 'I Shot The Sheriff' van Bob Marley tot en met de laatste hit van Soul Asylum, 'Runaway Train'. Jonas is snipverkouden en dreigt halverwege het optreden zijn stem kwijt te raken. Maar afgezien van een licht ontsporende solo hier en daar, klinken de nummers overtuigend, en zo zonder gebruik van effectapparatuur en gezongen met heldere jongenssopranen, ook weldadig 'puur'.

Als het optreden voorbij is souffleert Arnold Schellens vanaf de zijkant van het podium: 'Dank je wel en tot ziens'. Jonas is na afloop tevreden over zijn podiumgedrag: hij begint er nu wel een beetje in te komen. Bij eerdere optredens stond hij van de zenuwen de hele tijd 'aan zijn lijf te frunniken', maar nu hield hij beide handen aan de microfoon en tikte de maat met zijn voeten.

Volgens Schellens is het goed voor de muzikanten om zo 'voor de leeuwen gegooid te worden'. “We organiseren met Het Muziekpakhuis vier keer per jaar optredens. En daar hebben ze dan natuurlijk een vriendelijke omgeving, met ouders, vriendjes, medeleerlingen. Hier staan ze tussen publiek dat hen niet per definitie welgezind is.” En dat blijkt. Jonas beklaagt zich over de reacties van een aantal grote Marokkaanse jongens die vooraan zaten en hem een 'minderwaardigheidscomplex' bezorgden. “Ze riepen steeds 'ga toch naar huis, we krijgen slaap van jullie!'. En ze staken fuck-vingertjes naar ons op.” “Ja,” moppert Coen “en dat noemen ze een 'Solidariteitsfestival'.”