Azerbajdzjan; Touwtrekken om (veel) olie

Het eerder deze maand in de Azerbajdzjaanse hoofdstad Baku gesloten akkoord over de exploratie en exploitatie van olie in de Kaspische Zee was deze week zowaar een thema op de topontmoeting tussen de presidenten Clinton en Jeltsin in Washington.

Rusland, hoewel via zijn staatsolieconcern Loekoil deelnemer aan het akkoord van Baku, heeft laten weten het niet te erkennen: Moskou ergert zich - hoewel het dat niet hardop zegt - aan de Westerse participatie in het miljardenproject. Bovendien wil het dat de voor de kust van Azerbajdzjan gewonnen olie via leidingen over Russisch (in plaats van Turks) gebied wordt afgevoerd. Wie de leidingen beherst, beheerst tenslotte het hele project.

Het akkoord van Baku werd op 20 september na drie jaar van onderhandelen in president Haydar Aliyevs Gulistan-paleis ondertekend, in aanwezigheid van veel grote oliebaronnen uit Houston. Deelnemers aan het project zijn het Azerbajdzjaanse olieconcern SOCAR, dat twintig procent van de investeringen van 7,5 miljard dollar voor zijn rekening neemt, BP en Amoco (beide 17 procent), Unocal (11 procent), het Russische concern Loekoil (tien procent), Pennzoil (9,9 procent), Statoil uit Noorwegen (8,5 procent), McDermott (2,45 procent), Ramco (2 procent) en de Turkse maatschappij TPAO (1,75 procent).

Het contract heeft een looptijd van dertig jaar. Het voorziet in de olie-exploratie van ruim een half miljard ton olie (3,5 miljard vaten) in de Azerbajdzjaanse olievelden Azeri en Tsjirag en de diepwatersectie van het olieveld van Gunesli. De buitenlandse maatschappijen in het consortium hebben het recht gekregen al hun transacties, inclusief de uitvoer van hun winsten, in harde valuta uit te voeren. Ze zijn bovendien vrijgesteld van invoerbelasting op grondstoffen en materiaal dat nodig is voor hun kapitaalinvesteringen.

De Azeri, die met het contract in de loop van dertig jaar 34 miljard dollar hopen te verdienen, hebben met hun buitenlandse partners afgesproken dat de helft van de gewonnen olie, 253 miljoen ton, in Azerbajdzjan blijft, net als het gas (55 miljard kubieke meter) dat met die olie wordt gewonnen.

Waar de oliepijpleidingen komen te liggen waarmee de olie wordt geëxporteerd, is nog niet duidelijk: daarover moet nog worden onderhandeld. De eerste olie wordt ook pas over anderhalf jaar gewonnen en pas over vier jaar loopt die produktie op volle toeren. De Turkse minister Necmettin Cevheri wees er op die twintigste september fijntjes op dat de olie “absoluut” via Anatolië moet worden vervoerd, aangezien daar al pijpleidingen zijn of komen voor het transport van olie uit Kazachstan.

Voor Azerbajdzjan, economisch verpauperd door de nu al zes jaar durende oorlog tegen de Armeniërs om Nagorny Karabach, is het het contract van de eeuw. Baku was al aan het begin van deze eeuw een hoogst belangrijke oliemetropool en is dat in Sovjet-tijden gebleven. De afgelopen tien tot twintig jaar is echter nauwelijks nog in de oliewining geïnvesteerd en sinds enkele jaren staan de boortorens voor de kust weg te roesten en hoopt zich voor die kust een gigantisch milieuprobleem op.

Bij die plechtige ondertekening in het Gulistan-paleis leek er dan ook nog geen vuiltje aan de lucht: drie jaar vrij worstelen met de oliebaronnen in Houston hadden een voor de Azeri zeer gunstig akkoord opgeleverd. Op de vraag van een journalist of hij moeilijkheden met Rusland verwachtte - Rusland heeft zich steeds ingezet in een gezamenlijke Azerbajdzjaans-Russische exploitatie van de rijke olievelden - wees president Aliyev dan ook op de deelname van Loekoil aan het consortium en op de aanwezigheid, bij de ondertekening, van een vertegenwoordiger van het Russische ministerie van energie en brandstof, die nog een mooie toespraak had afgestoken.

Hoe weinig die aanwezigheid betekende, werd echter twee dagen later al duidelijk, toen de Russische minister van buitenlandse zaken, Andrej Kozyrev, het contract van Baku van de hand wees. Zijn eerste bezwaar gold de milieuproblematiek - wat weinig minder dan een gotspe is, gezien de extreme onverschilligheid van de Russen in het verleden over het milieu. Zijn tweede argument was relevanter: “Er bestaan akkoorden van de voormalige Sovjet-Unie die alle zaken betreffende de Kaspische Zee regelen. Niemand heeft die afgezworen. De verplichtingen die uit die akkoorden voortkomen betreffen alle wettige opvolgers van de Sovjet-Unie.” Wat die verplichtingen inhouden zei een van Kozyrevs woordvoerders: “alle” landen die grenzen aan de Kaspische Zee zijn eigenaars van de olie. Elke eenzijdige actie van een van die landen schendt aldus de rechten van de andere. Met andere woorden: de olie voor de Azerbajdzjaanse kust is eigendom van Azerbajdzjan, Rusland, Kazachstan, Turkmenistan en Iran. “Rusland zal het Kaspische olie-akkoord van Azerbajdzjan met de Westerse oliemaatschappijen niet erkennen”, aldus de woordvoerder.

En Loekoil dan? Loekoil is buiten zijn boekje gegaan, zo liet vorige week de Russische vice-premier Aleksandr Sjochin weten. “De regeringsvertegenwoordigers hebben duidelijk hun werk niet goed gedaan. De Russische staatsbureaucraten die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het contract over de Kaspische olie moeten ernstig worden gestraft”, zo vond Sjochin, die werd bijgevallen door de betrokken bewindsman, Joeri Sjafranik, minister van energie.

Of Clinton en Jeltsin afspraken hebben gemaakt over de ruzie, is niet bekendgemaakt. De laatste die zich in de kwestie heeft gemeld is de president van Kazachstan, Noersoeltan Nazarbajev, die - uiteraard - het Russische standpunt onderschreef: alle Kaspische staten zijn eigenaars van de Kaspische olie. Maar Noersoeltan Nazarbajev heeft boter op het hoofd, want Kazachstan heeft voor de winning van zijn olie voor de kust zelf een consortium gesticht waarin onder andere de Italiaanse maatschappij AGIP deelneemt.