Waar komen de Friezen vandaan

De Friese taal verschilt sterk van het Nederlands en het Duits, waardoor het Fries wordt ingesloten. Het vertoont wel grote overeenkomsten met het Engels. Voor taalkundigen is dit altijd een intrigerend feit geweest.

Vroeger werd naast de Friese taal ook over een specifiek Fries 'ras' gesproken. Maar dat wordt door antropologen niet meer gedaan - de Friese lichaamsbouw komt overeen met het algemene type in Noordwest-Europa.

Plinius de Oudere (23-79) vermeldt in zijn Naturalis Historia dat de Friezen in het mondingsgebied van de Rijn wonen. Ook Tacitus plaatst de Frisii en de Frisiaevones in dat gebied en wel aan de oevers van immensi lacus waarmee misschien de wadden zijn bedoeld. Volgens Ptolemeus was de Eems de oostgrens van hun gebied.

Er wordt wel eens getwijfeld of het bij deze Frisii en de Frisiaevones om Germaanse stammen gaat. Er zijn aanwijzingen dat de oudste Friezen mogelijk wel een Indoeuropese, maar geen Germaanse taal spraken. Sommige plaatsnamen zijn moeilijk als Germaans te klassificeren en ook de oudste met name bekende Friezen die Tacitus ten tonele voert, luisteren naar ongermaanse namen als Verritus en Malorix.

De Romeinen hebben het nodige over de Friezen opgetekend. In het jaar 12 v. Chr. heeft de Romeinse veldheer Drusus de Frisii onderworpen. Deze worden afgeschilderd als vredelievende veehouders die het met de Romeinen het liefst op een akkoordje gooiden inplaats van onrust te stoken aan de grenzen. Maar áls ze echt kwaad werden, konden ze uitstekend vechten.

Stadhouder Olennius had de schatting fors verhoogd en inde die met harde hand. Een directe aanleiding voor de Friezen om in opstand te komen (28 na Chr.). De Friezen namen ook deel aan de opstand van de Bataven (59-71 n. Chr.). Nog in de tijd van keizer Constantius Chlorus (250-306) is er sprake van een bewapend Fries contingent in het Romeinse leger.

Maar dan, in de duisternis van de vroege middeleeuwen, verdwijnen de Friezen vrijwel volledig uit het zicht; er is een enkele korte opmerking bij Prokopius en Venantius Fortunatus in de 6de eeuw, maar dat is alles. Dat duurt zo tot de 7de eeuw toen het Friese gebied een missieland werd van de Angelsaksische monniken.

Een gezelschap van internationale kopstukken uit de Frisistiek boog zich onlangs op het (Noord)friese eiland Föhr over de vraag: waren deze Friezen van Wilfrid en Willibrord dezelfde als de Frisii en Frisiaevones van 400 jaar daarvoor?

De taalkundige prof. Elmar Seebold (München) gelooft dat in de 2de eeuw na Chr. noordelijke zeekrijgers (die zich Saksen noemden) naar de zuidelijke delen van de Noordzee kwamen. De zogenaamde Eutische (Jutlandse?) Saksen gingen naar Friesland en werden daar door de Friezen vreedzamer ontvangen dan de Anglische Saksen door de Thüringers en Chauken in het huidige Noord-Duitsland.

De Eutische Saksen namen de naam Friezen van de inheemse bevolking over, maar hun taal zette zich door tegen die van de oorspronkelijke Friezen. Ongeveer twee eeuwen later zouden zowel Anglische Saksen als ook lieden uit het aldus getransformeerde Friese volk naar Engeland zijn geëmigreerd. Op die manier vallen de overeenkomsten van het Fries met het Engels en de afstand tot het Duits en Nederlands te verklaren, aldus Seebold.

Genetische methode

De Collagen Genetics Group in Oxford probeert via een genetische methode bewijzen te verzamelen voor verwantschappen. Men is al drie jaar bezig met onderzoek van mitochondriaal DNA (mt-DNA). Peter Foster en Michael Richards hadden enkele voorlopige resultaten.

Er zijn twee bronnen van genetische informatie. Chromosomaal-DNA omvat het merendeel van het DNA. Het wordt geërfd van beide ouders, wat het onderzoek bemoeilijkt. De tweede bron is mitochondriaal DNA (mt-DNA, het DNA van het mitochondrium, een belangrijk organel binnen de cel) en het spoor daarvan is gemakkelijker te volgen, doordat het alleen via de moeder wordt doorgegeven.

Volgens de Oxfordse groep hebben de meeste Europeanen een gemeenschappelijke oermoeder die zo'n 40.000-50.000 jaar geleden leefde. Op grond van de mutaties in het mt-DNA veronderstellen ze dat de voorouders van de Friezen zich ca. 20.000 jaar geleden aftakten.

De groep is vooral geïnteresseerd in de kolonisatie van Engeland door Germaans sprekende volkeren zo'n 1500 jaar geleden. Onderzocht wordt mt-DNA uit Angelsaksische en Britse graven uit de tijd van de volksverhuizing. Het beste vergelijkingsmateriaal bieden tanden die bewaard zijn gebleven na een crematie.

Er bestaat een duidelijke overeenkomst tussen het mt-DNA-type en de geografische herkomst van de dragers. Zo is de overeenkomst van mt-DNA-materiaal uit Friese gebieden met materiaal uit Denemarken 100%, uit Oost-Duitsland 51%, uit Saksen 49% en uit Amerika 1%. Met Eskimo's is de graad van verwantschap 0,0%.

Materiaal uit graven in Engeland uit de 6de eeuw (net na de immigratie van de Angelen en de Saksen) vertoont een duidelijke analogie met Noord-Duitsland. Het type is vooral in de kustgebieden verbreid.

Gaat het daarbij om Friezen? Daar probeert de Oxfordse groep achter te komen. Overigens verstrekken beide onderzoekers getallen en percentages pas na heel wat duwen en trekken, want de groep zit nog midden in haar research en vindt de hoeveelheid geanalyseerd materiaal nog niet groot genoeg om uitspraken te doen. Het Archeologisch Centrum in Groningen heeft de theorie van de Oxfordse groep geestdriftig ontvangen. Deze maand gaat drs. J. Jelsma met monsters van Nederlandse opgravingen, materiaal uit de rijke terp van Wijnaldum, naar Oxford voor een vergelijkend onderzoek.

Danny Gerrets, ook van het Archeologisch Centrum, heeft een andere theorie. Opgravingen in Friese terpen (Ezinge, Wijnaldum, Tjitsma), in de streek Westergo en in Tritsum duiden op een discontinuïteit op nagenoeg alle gebieden. In de huizenbouw is het de overstap van een houten skelet naar muren van plaggen, op economisch gebied is er een grote groei van de ambachtelijke produktie en er verschijnt nieuw aardewerk en accessoires als fibulae, haarspelden etc.

De veranderingen zijn zo opvallend dat de archeologen ze aan immigranten toeschrijven. Overeenkomsten tussen archeologische vondsten in Nederland en in Engeland illustreren aan de andere kant de migratie naar Engeland. De archeologen plaatsen de veranderingen tussen het eind van de vierde en het begin van de vijfde eeuw. Dit strookt wel met de DNA-theorie, maarniet met de linguistische theorie van Seebold over de komst van de Eutische Saksen in de tweede en derde eeuw. Wel vertoont de nieuwe cultuur volgens de archeologen zeer veel overeenkomsten met die van de monding van de Elbe en de Weser en van Jutland (de Euten?).

Over het ontstaan van leider- of zelfs koningschap binnen de stammen geloven de archeologen uitsluitsel te kunnen geven op grond van nieuwe terpvondsten. Verritus en Malorix waren vermoedelijk geen 'echte', maar 'sacrale koningen' of 'legerkoningen'. Hun gezag miste de vanzelfsprekendheid van erfelijke troonopvolging. Het leiderschap viel ten deel aan charismatische figuren en hield een zeer begrensde macht in.

Voor de periode van de 4de en 5de eeuw ontdekken de archeologen echter bewijzen voor een meer hiërarchische maatschappij, vooral op de vindplaats van Gudme (Denemarken). Dat was niet alleen een cultusplaats, meent Gerrets, maar ook een machtscentrum, de residentie waar de koning zijn volgelingen ontving. Zo'n koning was een nieuw verschijnsel in de Germania Libera. Hij steunde niet alleen op zijn charisma, maar was er in geslaagd om rijkdom te vergaren in de vorm van goud.

Een voorbeeld van zo'n vorst is de legendarische Friese koning Finn die in het Oud-Engelse heldenepos Beowulf wordt genoemd. Sinds die tijd begint ook de goudschat als sagenmotief op te duiken. Het spoor van het goud leidt de archeologen van Scandinavië naar Friesland en Engeland en getuigt van de aanwezigheid vaneen elite in de 5de en 6de eeuw.

Gouden voorwerpen vonden de archeologen in het Friese Westergo, bij opgravingen in Wieuwerd en Dronrijp, maar er zijn ook vele losse vondsten gedaan. De kostbare koninklijke mantelspeld van Wijnaldum en andere vondsten vertonen veel overeenkomsten met die van het Engelse Sutton Hoo, waar een 7de-eeuws koningsgraf werd ontdekt.

Volgens de geschreven bronnen bleef het volk dat de naam Friezen droeg, vermaarde kooplui en zeevaarders leveren en heeft het zich sterk uitgebreid. In de door de Franken opgetekende Lex Frisionum wordt gezegd dat deze wet gold in het gebied van de Weser tot aan het Sincfal (het Zwin). De Friezen lijken dus langs de gehele kust van de Noordzee te hebben gewoond. Koning Redbad regeerde in de 7de en de vroege 8ste eeuw over Frisia Magna, dat in het zuiden Dorestad en Utrecht omvatte, tot hij door de oprukkende Franken werd verdreven.

Maar op den duur werden de Friezen teruggedrongen. West-Friesland ging in de 13de en 14de eeuw verloren aan de graven van Holland. Al eerder was de provincie Groningen onder invloed van de stad Groningen uit het Friese taalgebied weggevallen. Daardoor verdween de verbinding tussen de Friezen in het huidige Friesland en de Oost- en Noordfriezen in Duitsland.

De naam Oostfriezen bestaat nu nog steeds, is echter misleidend, want Fries wordt nog maar door zo'n 2.000 mensen in het zogenaamde Saterland bij Oldenburg gesproken. Al die andere Oostfriezen - moppen over Oostfriezen in Duitsland zijn van hetzelfde soort als in Nederland de Belgenmoppen - spreken nauwelijk Fries. Alleen in Sleeswijk-Holstein vinden we nog enkele tienduizenden sprekers van het zogenaamde Noordfries, met name op de eilanden Sylt, Föhr en Amrum en in het kustgebied bij die eilanden. Door de langdurige isolatie kan een Nederlandse Fries de Oost- en Noordfriezen nauwelijks verstaan.