Versier-etiquette voor drie miljoen vrijgezellen

Vroeger was je na een kus verloofd, nu kun je drie keer met een man in bed liggen en hem daarna nooit meer zien. En dat schept de nodige verwarring tussen de seksen. Het morgen te verschijnen 'Bijjouofbijmij', van publiciste Inez van Eijk, geeft raad.

Inez van Eijk, Bijjouofbijmij? Erotische Etiquette (1994), uitg. Contact.

Wat doe je als je als vrouw op een feestje de Potentiële Bedpartner in het vizier krijgt? Vertel je hem onomwonden hoe leuk hij is, stort je 'per ongeluk' wijn over hem uit en biedt aan op een rustige plek de vlekken te verwijderen, of wacht je af of hij misschien het initiatief neemt? Wie in de jaren negentig op versierpad wil, kan kiezen uit een scala aan mogelijkheden. Dat is leuk, maar ook vervelend. Want het risico om stevig de neus te stoten is groot. Misverstanden liggen overal op de loer. Eén verkeerd woord of gebaar en alweer is een ontluikend avontuur in de kiem gesmoord.

Anders dan voor tafelmanieren of dagelijkse omgangsvormen bestaat voor de erotiek geen etiquette. “Hoe zeg je bij voorbeeld op een aardige manier dat je iemand niet wilt, of dat je wilt dat iemand eerst zijn oksels wast voor je de daad pleegt? Dat is niet duidelijk”, zegt publiciste Inez van Eijk. Die duidelijkheid probeert ze te scheppen in het boek Bijjouofbijmij? Erotische etiquette, dat morgen door uitgeverij Contact wordt gepresenteerd. Doel is, zegt Van Eijk in haar woning in Amsterdam-Zuid, “mensen meer sociale vaardigheden bij te brengen bij hun omgang met het andere geslacht”. Ze kreeg daarvoor steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Toen Amy Groskamp-Ten Have haar befaamde Hoe hoort het eigenlijk? schreef was de liefde nog overzichtelijk. “De vrijgezel die vaak met een en hetzelfde meisje uitgaat (omdat zij vrolijk is of omdat zij goed danst e.d.) zonder nochtans het plan te hebben haar tot de zijne te maken, dient te bedenken dat niets zó gauw in opspraak komt als de naam van een jong meisje”, zo schreef Groskamp nog in de twaalfde druk van 1957.

Maar sindsdien kregen we de jaren zeventig, de pil, de emancipatie en de echtscheiding. Seksuele omgang werd vrijer en regels verdwenen, maar er kwamen geen nieuwe voor in de plaats. Inmiddels zijn er in Nederland drie miljoen vrijgezellen van 25 jaar en ouder. Die moeten ongeveer over elkaar struikelen in sportclubs, café's, musea, supermarkten, congressen of touringcars, maar toch zoeken ze massaal hun heil bij relatiebureaus en contactadvertenties. De leeftijd waarop men de bureaus benadert wordt volgens Van Eijk steeds lager. Er moet dus wel iets mis zijn, constateert zij: “De vrijheid die sinds de jaren zeventig het verkeer tussen mannen en vrouwen af en toe zo vrijblijvend kan maken, heeft geleid tot grote verwarring. De conventies zijn nagenoeg verdwenen, grenzen zijn er nog steeds. Het probleem is alleen: waar?”

Als voorbeeld noemt ze een vrouw die een man uitnodigt voor een etentje bij haar thuis. Voor de gezelligheid, omdat ze hem aardig vindt. Maar hij leidt eruit af dat ze met hem naar bed wil. Het eten wordt opgedist, er gebeurt verder niets. Hij gaat na het diner naar huis en is beledigd. Zij vraagt zich af waarom hij nooit meer belt. Was de lamsbout niet goed, vond hij haar te oud of te lelijk?

Van Eijk: “Iedereen draait om elkaar heen. Vroeger nam de man het initiatief en zo niet, dan had je pech. Dat was duidelijk. Joop ter Heul werd één keer gekust en toen was ze verloofd. Nu kun je tien keer worden gekust, zonder dat je die man ooit nog terug ziet. Vrouwenbladen moedigen vrouwen aan initiatieven te nemen en zowel erotische als gewoon vriendschappelijke relaties te onderhouden. Maar hoe maak je duidelijk wat je precies wilt? Mannen worden soms ook zo onzeker dat ze geen poot meer durven uitsteken.”

Het boek beperkt zich tot hetero-contacten en in het bijzonder tot de veertigers en vijftigers, want daar heerst volgens de schrijfster 'een chaotische toestand'. Twintigers worden nog gewoon verliefd, zonder veel bijgedachten, maar bij de ouwetjes, gebutst en gedeukt als ze zijn door verbroken relaties, gaat het minder makkelijk. Die storten zich in lat-relaties, seriële monogamie (een tegelijk, maar veel achter elkaar), one-night-stands, home-runs (Van Eijk: “half zes naar het café, met iemand aanpappen, vóór twaalf uur ermee in bed liggen en half een weer naar huis”), driehoeksrelaties, of nog ingewikkelder, ze houden er een hele 'stal' op na.

Het boek bevat een reeks soms vrolijke, maar vaak ook deprimerende voorbeelden van list en bedrog, geput uit gesprekken, kranten, boeken en tijdschriften. Ze zijn onderverdeeld in hoofdstukken met titels als Als je maar mooi van binnen bent, De Wereld een jachtgebied, Versieren, Afwijzen en Trouw en ontrouw. Door de quotes heen zijn adviezen te vinden van de schrijfster. Dat er geen zweetschoenen in slaap- of zitkamer moeten liggen dampen bijvoorbeeld, want daar knapt de tegenpartij op af, net als op vies sanitair of een te kort boxershort waar het geslachtsdeel onderuit komt piepen. Ook moeten we niet te veel over onszelf praten: “Stel ook vragen en luister. Je gehoor hangt aan je lippen, dénk je, maar zit in feite te wachten op een gelegenheid je te onderbreken met bijvoorbeeld de vraag: Bij jou of bij mij?”

Inez van Eijk is twee jaar met het boek bezig geweest. Het resultaat ademt de sfeer van een tamelijk welgesteld Randstedelijk milieu. De auteur sprak dan ook voornamelijk met mensen uit haar eigen omgeving. “Ik pretendeer geen wetenschappelijk werk te hebben afgeleverd. Ik heb niet een doorsnee van de Nederlandse bevolking geïnterviewd, maar ben uitgegaan van wat ik om me heen zag. Bij een boek over tafelmanieren kijk je ook niet hoe arbeiders tijdens de schaft hun brood eten.” Overigens erkent ze dat er in deze tijd ook heel aardige vriendschappelijke relaties tussen mannen en vrouwen kunnen bestaan.

Hoe snel het misverstand echter ontstaat, heeft ze zelf gemerkt bij het voorbereiden van het boek. “Mij is een paar keer overkomen dat heren die ik om een interview vroeg, dachten dat het een ingewikkelde inleiding was om hen te verleiden”.