'Toets bepalend bij schoolkeuze in A'dam, niet ouders'

AMSTERDAM, 29 SEPT. De voorkeur van ouders mag geen rol spelen bij de keuze van het type voortgezet onderwijs voor hun kind. Die keuze moet “volledig objectief” tot stand komen.

Dit heeft wethouder J. van der Aa vanochtend gezegd in een toelichting op de onderwijsplannen voor de komende vier jaar. Om te voorkomen dat kinderen met een achterstand een te hoge vervolgopleiding kiezen, zouden alle Amsterdamse basisscholen vanaf 1996 de Cito-toets moeten afnemen. Nu neemt zestig procent de Cito-toets af. Deze toets, die in de laatste jaren van het basisonderwijs wordt afgenomen, geeft een niet-bindend advies over het te kiezen schooltype na de basisschool.

Doordat slechts 60 procent van de basisscholen in Amsterdam de toets afneemt, is het volgens wethouder Van der Aa moeilijk iets over het gemiddelde eindniveau van de Amsterdamse leerlingen te zeggen. Van der Aa wil de keuze voor een vervolgopleiding “volledig objectief” maken. “Ik heb het idee dat bij de keuze voor een vervolgopleiding nu vaak andere factoren een rol spelen, zoals de wens van de ouders of concurrentieoverwegingen van scholen. Die keuze moet zuiver objectief worden gemaakt”, aldus Van der Aa.

Het onderwijsplan van de gemeente wijst erop dat veel Amsterdamse leerlingen die de basisschool verlaten, een achterstand van een jaar hebben. Toch gaan in Amsterdam veel meer leerlingen naar het VWO dan in de rest van het land en veel minder naar het voorbereidend beroepsonderwijs. Dit is volgens Van der Aa een van de redenen waarom het aantal 'drop-outs' zo hoog is. Van de 35.000 leerlingen die in 1992-1993 in het voorgezet onderwijs zaten, gingen er ruim 1.700 van school, werden er ruim 4.100 teruggezet en bleven er zo'n 3.200 leerlingen zitten of haalden hun einddiploma niet. In totaal haakten dus ruim 9.000 leerlingen af. Landelijk zou dat voor eenzelfde groep leerlingen ongeveer 5.700 zijn geweest. Van der Aa noemt de getallen “alarmerend”.

Voorzitter J. Tichelaar van de onderwijsvakbond ABOP noemt het in een reactie “veel te eenzijdig” dat het advies uit de Citotoets “klakkeloos” de definitieve keuze voor een schooltype zou gaan bepalen. “Dat is een gemiste kans.” De regionale verschillen tussen de Citotoets zouden ook te veel invloed krijgen, meent hij. Tichelaar wijst erop dat de leerkracht “die het kind lange tijd heeft meegemaakt” een veel bredere afweging kan maken. Ook de ouders moeten hun oordeel kunnen geven. “Als dat alles buiten de deur wordt gezet, zouden wij dat ernstig betreuren.”

Een woordvoerder van de besturenraad in het protestants-christelijk onderwijs, PCO, wijst het Amsterdamse voorstel af. “Wij betreuren de hoge aantallen 'drop outs', maar wij vinden het een fundamenteel recht van ouders te kunnen kiezen voor de vervolgopleiding van hun kind. Dat mag je niet met voeten treden door een toets , die alleen de cognitieve aspecten meent tot norm te verheffen”, aldus de woordvoerder.