Studiesucces is afhankelijk van meer factoren dan intelligentie en kennis; Selectie van goede student is lastig

Minister Ritzen pleitte gisteren in de Eerste Kamer voor selectie van studenten 'aan de poort van de universiteit'. P.J.D. Drenth schrijft dat zo'n systeem alleen werkt als het totale Nederlandse onderwijssysteem wordt aangepast. Bovendien vergt een zorgvuldige selectie jaren van onderzoek.

Aan het eind van de jaren zestig en zeventig was de vraag of aankomend universitaire studenten aan een vorm van selectie dienden te worden onderworpen het onderwerp van heethoofdige discussies. Het is nuttig de argumenten van destijds te kennen en de complexe juridische, psychologische en organisatorische problematiek van dit selectie-vraagstuk te analyseren. Het is bijvoorbeeld maar de vraag of het geneeskunde-systeem van gewogen loting bij een veel grotere belangstelling voor de studie dan de opleidingscapaciteit kan honoreren, wel zo ridicuul is als sommigen menen. We zaten (en zitten) in Nederland nu eenmaal met twee goed verdedigbare, maar vrijwel niet verenigbare uitgangspunten. Enerzijds het wettelijke (en na een selectief en niet gemakkelijk VWO ook acceptabele) recht op vrije studiekeuze, eventueel nog onder de conditie dat men een adequaat vakkenpakket meebrengt. Anderzijds de wens om bij schaarse middelen diegenen toe te laten die de meeste kans op succes hebben. In feite is het systeem van gewogen loting een compromis, dat beide principes tracht te honoreren. Door de loting houdt iedereen de kans om toegelaten te worden, en door de weging hoopt men de gemiddelde kwaliteit te verhogen. In het buitenland heb ik niet de minste moeite deze gedachtengang uit te leggen, en nimmer word ik daarbij met hoongelach bejegend.

Natuurlijk heeft het systeem, zoals ieder systeem, ongewenste bijverschijnselen en zijn ook andere compromissen bedenkbaar. Zelf heb ik eind jaren zeventig een adviescommissie voorgezeten, die de toenmalige minister Pais een alternatief heeft voorgesteld, dat globaal hier op neerkomt: eenderde van de 1800 plaatsen geneeskunde toewijzen via ongewogen loting, een derde op basis van de hoogte van de gemiddelde eindexamenscore, en eenderde op basis van de hoogste scores in een specifiek te ontwerpen en vrijwillig af te leggen toets, die vooral geconstrueerd zou zijn met het oog op de typische medische studievakken. In feite was een dergelijke serie studietoetsen reeds door het CITO in Arnhem ontworpen. De minister heeft na sondering van de Kamercommissie dit advies niet willen overnemen. Ook dit model was een streven de beide genoemde uitgangspunten te eerbiedigen.

Wel kleeft er een ander bezwaar aan de weging bij de loting voor geneeskunde, maar daar hoort men niemand over. Het is niet wenselijk voor één faculteit, waarvoor niet is aangetoond dat men daarvoor over meer intelligentie en studiecapaciteiten dient te beschikken dan voor andere, de beste studenten te selecteren. Anders gezegd, selectie (ik zeg niet gelijke normen) voor alle faculteiten of voor geen enkele, maar niet voor een enkele faculteit.

In de reacties, commentaren en discussies wordt vaak wat simplistisch over de selectiemogelijkheden voor het wetenschappelijk onderwijs gedacht. Laten we enkele aspecten van de, ook beleidsmatig, complexe problematiek van de selectie voor het wetenschappelijk onderwijs bekijken.

Ten eerste de zojuist genoemde identificatie van de potentieel ongeschikten. Het achteraf constateren dat iemand niet geschikt is, is natuurlijk gemakkelijk genoeg. Het gaat er echter om bij de entree van de universiteit te voorspellen wie het wel en wie het niet kan. En ondanks populaire ideeën daarover, is dit onder de condities waarmee we in Nederland te maken hebben geen eenvoudige zaak. Bij die 'condities' denke men aan een behoorlijk voorgeselecteerde populatie die zich aanmeldt, en universitaire studies waarbij cognitieve vaardigheden voor studiesucces wel belangrijk maar veelal niet doorslaggevend zijn; motivatie, stimulerende omstandigheden en persoonlijke stabiliteit zijn vaak even zwaarwegend, zo niet zwaarwegender. Er is inmiddels genoeg empirische grond voor de bewering dat studiesucces in het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs zelfs met erg veel inspanning maar matig te voorspellen is. Dit geldt voor de voorspelling met behulp van intelligentietests, van schoolcijfers en zeker voor het gebruik van persoonlijkheidstests. Van de door de Telderstichting gesuggereerde persoonlijke gesprekken hoeven we al helemaal niets te verwachten.

Waarschijnlijk zijn specifiek voor studierichtingen geconstrueerde toetsen (zoals die voor geneeskunde) het beste. Maar die hebben we (nog) niet en als we op het vele onderzoek in Nederland en in het buitenland mogen afgaan, blijven ook dan de voorspelverwachtingen bescheiden. (Een multiple correlatie van .50 is al bijzonder hoog).

Natuurlijk mag de keuze van het selectie-instrument geen kwestie zijn van intuïtieve veronderstellingen of subjectieve noties. Selectie op basis van welke voorspeller dan ook kan pas worden uitgevoerd nadat in een empirisch onderzoek is aangetoond dat dit verantwoord is. En dit vergt een onderzoek van enige jaren. Het is naïef te veronderstellen dat men van vandaag op morgen met selecteren kan beginnen.

Dan het selectieproces zelf. Zelfs als we de gigantische praktische en organisatorische problemen van een dergelijk onderzoek naast (en vlak na) het landelijk VWO-examen voor een moment terzijde laten, dan nog hebben we te maken met een gecompliceerd beslissingsproces. Het gaat natuurlijk niet om de beide uitersten van de normaalverdeling. De paar procent slimsten of domsten zijn wellicht nog wel te identificeren. Maar het gaat om een grootschalig en massaal systeem met vele variabelen en condities, waarbij men in statistische termen moet denken. Het doel is het verhogen van het percentage succesvolle studenten door een bepaald deel van de zich aanmeldende groep dat minder kans op succes heeft niet toe te laten. Een belangrijke vraag is dan wel: hoeveel moeten we afwijzen?

Hier ligt overigens ook meteen al een keuzeprobleem: Wat is een succesvolle student? Iemand die snel, of goed (of beide?) de eindstreep haalt? Iemand die later een goede onderzoeker of beroepsbeoefenaar is? Voor dit betoog kies ik even een gemakkelijke redenering: een goede student is iemand die binnen de tijd zijn propaedeuse haalt. De vraag wordt dus: welk percentage van de studenten moeten we afwijzen om een bepaalde gewenste rendementsverbetering in de propaedeuse te bereiken?

Een voorbeeld. We maken daarbij de volgende (niet onrealistische) vooronderstellingen. Ten eerste: momenteel slaagt voor een bepaalde studie 60 procent voor de propaedeuse. Ten tweede: Er is een matige samenhang tussen een optimale combinatie van schoolcijfers of toelatingstests enerzijds en de resultaten van de propaedeuse anderzijds (we nemen de eigenlijk te optimistische correlatie van .50). We kunnen nu uitrekenen dat, om in de gegeven situatie het succespercentage van 60 op 80 te brengen, 60 procent van de zich aanmeldende kandidaten moet worden afgewezen. Daar komt dan nog bij dat van deze afgewezen kandidaten bijna de helft (46 procent) de propaedeuse toch gehaald zouden hebben als ze wel waren toegelaten.

Onze selectie aan de poort leidt in genoemd voorbeeld tot een rendementsverbetering van 20 procent, maar tegen een hoge prijs. Ten eerste wordt de studentenpopulatie met flink meer dan de helft gereduceerd (met belangrijke personele consequenties voor universiteit en faculteiten). Ten tweede wordt van deze grote niet toegelaten groep bijna de helft ten onrechte afgewezen. Bij minder gunstige cijfers dan in het genoemde voorbeeld worden de consequenties alleen maar erger.

De vraag is nu of het wetenschappelijk onderwijssysteem deze prijs wil betalen. We zullen ook het probleem moeten oplossen, waar die (ten onrechte en terecht) afgewezenen naar toe moeten. Velen verwijzen naar het 'angelsaksische systeem', dat overigens niet bestaat. Maar als daarmee wordt gedoeld op de niveauverschillen in het WO-systeem in de VS en Engeland, dan gaat dat niet op. In die landen maakt het zeer gedifferentieerd samenstel van opleidingen, studies en diploma's een betere 'sortering' naar kwaliteiten mogelijk. In Nederland ontbreekt deze (nog) en zonder een dergelijk educationeel vangnet lijkt selectie aan de poort van de universiteit beslist onrechtvaardig. Bovendien is dit niet realiseerbaar zonder een langdurig onderzoek en een veel tijd vergende aanpassing van het totale onderwijssysteem.