Parelmoeren glans door verf met visschubben

Tomas Rajlich, tentoonstelling ter gelegenheid van de Pieter Ouborgprijs 1994. Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Tot 10 oktober. di - zo 11-17 uur. Geïllustreerde catalogus, 25 gulden.

Het verhaal komt heel bekend voor. Tomas Rajlich (1940, Jankow, Tsjechoslowakije) 'heeft het schilderen tot onderwerp van zijn oeuvre gemaakt', aldus het rapport van de Haagse jury die Rajlich onlangs de Pieter Ouborgprijs toekende. Hij bant iedere verwijzing naar de wereld buiten het beeld uit. Rajlich bedekt het beeldvlak met rasters van lijnpatronen.

Door deze neutrale ordening van gelijkwaardige elementen krijgen alle delen van het voorstellingsloze, vlakke schilderij even veel aandacht. Zoals hij in een interview zei: “Het raster [...] helpt de schildering binnen het oppervlak te houden. Het is een element, net als verf en linnen, gebruikt om het schilderij op te bouwen.”

Hier klinken allerlei echo's in door van de fundamentele schilderkunst rond 1970, en van de opvattingen van de Nulbeweging. Dit was het kunstklimaat dat Rajlich aantrof toen toen hij na de Praagse Lente in 1969 Nederland vluchtte. Sindsdien woont hij in Den Haag. Met het werk van enkele vertegenwoordigers uit het Zeroïsme had hij trouwens in Tsechoslowakije al kennis gemaakt. Rajlich was in 1967 een van de oprichters van de 'Klub Konkretistu' die de doorwerking van het constructivisme in de hedendaagse kunst was toegedaan. De groep spande zich in om contacten te leggen met geestverwanten in Europa, zoals François Morellet en Herman de Vries.

Toch heeft Rajlich wel iets eigens toegevoegd aan dit idioom. Zijn werk, sensueel en schilderachtig van aard, is een impressionistische variant van Zero. In de jaren zeventig bedekte Rajlich het raster gaandeweg bedekte met een steeds donkerder verflaag, uitmondend in een monochroom zwart doekje (1979). Hierna draaide hij de volgorde om: monochrome schilderijen waar hij in dunne potloodstrepen het raster achteraf overheen tekende. In deze latere werken legt hij een voorkeur aan de dag voor een lichte, glanzende verf in merkwaardige, nogal kitscherige tinten: bronsgeel, lila, zilverig blauw, goud, roze. De parelmoeren glans is het gevolg van visschubjes die verwerkt zijn in de acrylverf.

Dit zijn de meest interessante werken. Het parelmoer verleent ze een etherisch, immaterieel karakter. De pasteuze, zware verfbehandeling, met dunnere en dikkere plekken en de verfstreken duidelijk waarneembaar, horizontaal en verticaal, over elkaar heen, lijkt hiermee in tegenspraak. Je zou het een maniëristische variant van het fundamentele schilderen kunnen noemen. Ernst en soberheid hebben plaatsgemaakt voor een zinnelijk kijkplezier.