Oorlogen zijn niet meer wat ze geweest zijn

De moderne oorlog is de oorlog die geen grenzen overschrijdt. Dit noopt militaire strategen hun analyses van het fenomeen 'oorlog' te herzien, evenals hun oplossingen. Cynici willen alle brandhaarden, in totaal 85 procent van de aardbol, aan hun lot overlaten. Anderen willen juist overal ingrijpen. Het is onvermijdelijk uit te gaan van het nationaal belang, vindt C. Homan.

“Her en der in Oost-Europa en in de voormalige Sovjet-Unie, maar ook in delen van Zuidoost-Azië en in een groot deel van Afrika staan niet staten tegenover elkaar, maar pseudo-staten: krijgsheren die met hun militie de omgeving terroriseren en in gedurige strijd met hun rivalen zijn verwikkeld”. Met deze uitspraak wees A. de Swaan twee jaar geleden bij het dertigjarig bestaan van de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht op de vervagende grenzen tussen oorlogvoering en misdaadbestrijding. Een jaar daarvoor had de Israelische militair-strategische goeroe, Martin van Creveld, in zijn boek The Transformation of War al betoogd dat de 'Clausewitz'-oorlog tussen staten tot het verleden behoort. Dominerend, aldus Van Creveld, zijn nu de perifere etnische, culturele, religieuze, semi-criminele low intensity conflicts.

Beide schrijvers hebben inmiddels empirisch grotendeels gelijk gekregen. Twee veranderingen in het strategisch landschap trekken de aandacht. Allereerst heeft het inter-statelijk conflict het veld geruimd voor het intra-statelijk conflict. De data in het SIPRI-jaarboek 1994 spreken voor zichzelf. Vorig jaar was er sprake van 34 grote gewapende conflicten op 28 lokaties in de wereld. Al deze conflicten waren intra-statelijk. In 13 van deze conflicten vielen (direct en indirect) meer dan 1000 doden: Afghanistan (2000-3000), Algerije (1100-2400), Angola (250.000), Adzerbajan (> 2000), Bosnië en Herzegovina (10.000-30.000), Colombia (1500), Georgië (2000), India (> 3000), Peru (1700), Zuid-Afrika (4400), Sri Lanka (> 2000), Tadzjikistan (16.000-20.000) en Turkije (3000).

In de tweede plaats heeft zich een nieuw type krijger op het slagveld gemanifesteerd. Criminele krijgsheren, de zogenoemde warlords, met hun gewapende bendes en milities kruisen tegenwoordig vaak het pad van de professionele VN-militairen.

Een recent rapport van het Mackenzie Instituut in Toronto schat dat de wereld inmiddels ruim veertig privé-legers telt. Het merendeel hiervan opereert in Afrika en Azië. Deze bewapende 'niet-gouvernementele entiteiten' erkennen geen grenzen, controleren soms grote delen van het grondgebied van 'soevereine' staten en schenden op grote schaal de mensenrechten.

Een aantal militaire strategen in de Verenigde Staten betoogt dat we door bovenstaande veranderingen in het tijdperk van de vierde generatie oorlogvoering zijn aanbeland.

De eerste generatie oorlogvoering die begint met de vrede van Munster in 1648 viel samen met de opkomst van de natie-staat. Karakteristiek voor deze eerste periode zijn het gladloopse geweer en de tactiek van de linie en colonne. De tweede generatie dateert van het midden van de 19de eeuw. Als gevolg van de industriële revolutie gaat de vuurkracht van de artillerie het slagveld domineren. De derde generatie werd geboren uit noodzaak. In een poging de operationele vrijheid aan het statische westelijke front in 1918 te herstellen bedachten de Duitsers het concept van de Blitzkrieg. Hierin domineert het uitbuiten van de mogelijkheden van de manoeuvre boven die van de vuurkracht.

Gemeenschappelijk kenmerk van deze drie generaties is dat het vooral staten waren die oorlogen voerden. Het ging om de interactie tussen 'overheid, krijgsmacht en bevolking'.

De huidige vierde generatie van oorlogvoering speelt zich echter vaak af in uiteengevallen staten waarin de overheid niet langer het geweldsmonopolie bezit. Gewapende bendes bestrijden elkaar op leven en dood in hun streven naar de macht. Kortom, de gehele maatschappij is een groot slagveld, waarin frontlijnen ontbreken en het onderscheid tussen burger en militair vaak niet meer bestaat. In feite betekent dit een terugkeer naar de oorlogen in het middeleeuwse Europa. Er was toen geen sprake van 'politiek' in de huidige betekenis van het woord, zoals dat tegenwoordig ook steeds minder het geval is in de Kaukasus, in Somalië, Haïti, Rwanda, Afghanistan en op de Balkan.

Wat is het antwoord van de wereldgemeenschap op deze intra-statelijke conflicten? De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aanvaardde naar aanleiding van de ernstige mensenrechtenschendingen tegen de Koerden in Noord-Irak in april 1991 resolutie 688. Sindsdien behoort de onaantastbaarheid van het non-interventiebeginsel in de binnenlandse aangelegenheden van een land tot het verleden. De ervaringen van de Verenigde Naties met dit recht van bemoeienis in binnenlandse conflicten in Somalië, Bosnië en Rwanda hebben echter tot teleurstellingen geleid.

Geconfronteerd met deze vormen van onconventionele oorlogvoering herschrijven de militaire staven de handboeken om een militaire bijdrage te leveren aan het voorkomen, stabiliseren of beëindigen van deze conflicten. Want terecht merkt Hans Magnus Enzensberger in een essay over de burgeroorlog op: “De Pruisische generaal Von Clausewitz wijdde er geen enkel woord aan in zijn klassieke werk 'Vom Kriege'. Tot vandaag de dag is er geen bruikbare 'Theorie van de Burgeroorlog'.”

Uiteraard rijst de vraag in hoeverre militaire dwangmiddelen effectief zijn in een burgeroorlog. Anders dan bij Desert Storm speelt het traditionele militaire handwerk een belangrijker rol dan geavanceerde technologie. Militaire oplossingen bestaan echter in beginsel niet. Maar militaire middelen kunnen wel bijdragen tot stabilisering van de situatie die het zoeken naar een oplossing mogelijk maakt.

Het traditionele concept van 'peacekeeping', gebaseerd op toestemming van de partijen, onpartijdigheid en geweld slechts in geval van zelfverdediging, bewijst nog steeds zijn waarde. In burgeroorlogen waar frontlijnen ontbreken, bestanden niet worden nageleefd en een verscheidenheid aan statelijke en niet-statelijke entiteiten opereren, ontbreken veelal deze voorwaarden. Er zijn dan ook cynici die de wereld in 'zones of peace' en 'zones of turmoil' verdelen. Zij willen de 'zones of turmoil', die 85 procent van de aardbol uitmaken, grotendeels aan hun lot overlaten. Van Creveld verklaarde onlangs zelfs dat er nog maar een gerechtvaardigde oorlog is: “verdediging van eigen volk en grondgebied, huis en hof, vrouw en kind”.

Diametraal hiertegenover staan de voorstanders van een grenzeloos interventionisme. Maar hun onbeperkte mondiale ambities staan op gespannen voet met de beperkte middelen. Bovendien berust de legitimatie van de Veiligheidsraad tot interventie veelal meer op machtspolitieke dan op juridische overwegingen.

In de staten-praktijk hanteren landen overwegend het concept van 'selectieve, collectieve reactie op agressie'. Illustratief is de situatie in Angola. Sinds de verkiezingen in dit land in september 1992 kostte de opnieuw uitgebroken burgeroorlog tot eind vorig jaar 450.000-500.000 slachtoffers. De wereldgemeenschap heeft echter vrijwel geen enkel initiatief ontplooid om deze massamoord te beëindigen.

Vooralsnog dient in onze onvolmaakte wereld het nationaal belang het belangrijkste criterium te zijn voor deelname aan een interventie. Net zo min als het 'algemeen belang' een objectieve maatstaf biedt voor het binnenlands beleid, is het 'nationaal belang' dat voor het buitenlands beleid. Terecht merkte de voormalige Amerikaanse minister van defensie Weinberger eens op: “American interests are nowhere etched in stone, but are situational, influenced by our judgment and basic values”. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor Nederland. Het is primair de verantwoordelijkheid van onze politieke leiders de juiste keuzen te maken.