Ombudsvrouw Portegies laakt het verzet van pensioenfondsen; Strijd om pensioen vrouwen brandt los

ROTTERDAM, 29 SEPT. Bij het Instituut Vrouw & Arbeid, bij de FNV, bij de Verzekeringskamer, overal stond de telefoon vanmorgen vroeg al roodgloeiend. De bellers zijn vrouwen die nu eindelijk hun kans schoon zien om genoegdoening te krijgen van de pensioenfondsen die hen jarenlang hebben uitgesloten omdat ze in deeltijd werken of gehuwd waren. Met de recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de rug eisen de vrouwen, die niet mochten meedoen aan de regelingen om een aanvullend pensioen op te bouwen, nu met terugwerkende kracht tot 1976 deelname. Wat zij willen weten is waar ze met die eis terecht moeten.

“Het is nu overal een gekkenhuis”, lacht Pauline Portegies, Ombudsvrouw Pensioenen bij het instituut Vrouw & Arbeid. Ze is in die functie nauw betrokken bij de door twee Nederlandse vrouwen bij het Europese Hof aangespannen procedures om de discrimerende regelingen van hun pensioenfondsen ongedaan te krijgen. Om zo snel mogelijk zicht te krijgen op de omvang van de benadeelde groep vrouwen is het volgens haar belangrijk dat de rechthebbenden op een claim, zich zo snel mogelijk bekendmaken. Vanmiddag vindt op verzoek van Portegies een spoedberaad plaats op het ministerie van Sociale Zaken met de pensioenfondsen, de Verzekeringskamer en pensioenconsultenten om zo snel mogelijk een centraal meldpunt in te stellen.

Portegies is nog nauwelijks bekomen van de verrassing dat de Europese rechters de Nederlandse klachten zo positief gehonoreerd hebben. “Het was wel duidelijk dat we het recht aan onze kant hadden, maar we hebben in het verleden vaker gezien dat de Europese rechters financiële belangen voor lieten gaan.” Dat geldt ook voor de politiek. Hoewel het Europese Hof zich in het Barber-arrest (1990) al uitsprak voor gelijke behandeling van deeltijdwerkers leidden de protesten van de Nederlandse pensioenfondsen (die volgens eigen berekeningen een schadepost van 120 miljard gulden zouden oplopen als de uitsluiting met terugwerkende kracht tot 1976 moest worden opgeheven) ertoe dat in Verdrag van Maastricht in 1992 werd besloten om de terugwerking te beperken tot 1990.

Voor Anneke Vroege, één van de Nederlandse klaagsters, was die beslissing de reden om - met steun van de FNV - opnieuw naar het Hof in Luxemburg te stappen. Haar werkgever stelde in 1991 een nieuw pensioenregelement op waarbij deeltijdwerkers voor het eerst toegang kregen. Van terugwerkende kracht was geen sprake, alleen vrouwen boven de vijftig jaar mochten zich voor maximaal vier jaar inkopen. Haar mede-klaagster, Fisscher, wendde zich tot het Hof omdat de werkgever waar zij tussen 1978 en 1992 in dienst was, pas in 1991 gehuwde vrouwen tot de pensioenregeling toeliet en evenmin bereid was om haar met terugwerkende kracht in te laten treden.

Wat de uitspraken van het Europese Hof voor de Nederlandse situatie zullen betekenen, kan ook Portegies op dit moment nog niet overzien. Mogelijk gaan de pensioenfondsen gebruik maken van de door het Hof opengelaten mogelijkheid om een beroep te doen op nationale verjaringstermijnen voor loonclaims. Hoewel de pensioenkoepelorganisatie VB volgens haar al heeft laten weten loyaal mee te zullen werken aan een algemene regeling, blijven de pensioenfondsen van ondernemingen zich met hand en tand verzetten. “Zij vinden dat iedere vrouw maar apart naar de rechter moet. Het is gewoon duidelijk dat ze alles liever doen dan repareren.”

Een tweede belemmering die de pensioenfondsen kunnen opwerpen, is de eis om vrouwen die willen intreden met terugwerkende kracht tot 1976 premies te laten betalen. Ook de werkgevers zouden in zo'n geval de niet-betaalde premies alsnog moeten ophoesten. Portegies pleit ervoor om de reparatie te financieren via de vijf miljard gulden in het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, waar nog geen bestemming voor is. Portegies:“Er moet in ieder geval zo snel mogelijk iets gebeuren, want anders zijn die vrouwen waar het om gaat straks allemaal al overleden.”