Mieke & Aai

Ben ik in Blijdorp, loop ik Willem Schaftenaar tegen het lijf. Kom, gaan we even naar een katje kijken.

Verrassend jong, zoals ze daar bedwelmd en glanzend op de tafel ligt: Geoffroy's kat uit Zuid-Amerika, volwaardig roofdier van een pond of vier. Aan de buitenkant mankeert haar niks. Maar Ben Westerveld, belast met de katachtigen, zegt dat ze strompelt.

De oorzaak is in een paar handgrepen opgespoord: een tumor in het linkerokseltje. En een paar handgrepen verderop: een tumor in een van de melkklieren.

Terwijl Willem een spuitje in gereedheid brengt, het katje zucht, vertelt Ben dat ze drieëntwintig jaar geleden is binnengebracht, samen met een mannetje. Misschien uit hetzelfde nest, broer en zus. Al die jaren bij elkaar, ze sliepen altijd samen in een kist. Geen nakomelingen.

Het mannetje heeft zijn spuitje verleden week gehad, een chronisch nierprobleem, de bek zat vol met zweren.

Willem: “Samen uit en bijna samen thuis.”

Ben: “Nou meissie, dat wás het dan.”

Wat me herinnert aan een verhaal van mijn vader over twee mensen die hun hele leven samen waren geweest en op zeker moment allebei op sterven lagen.

Leefde gij nog Mieke?

Ja, ikke wel. En gij dan Aai?

In zo'n huisje aan de dijk.