Een vak leer je in de praktijk

Het leerlingwezen levert bekwame, in de praktijk geschoolde vaklieden. Door de recessie is instroom de laatste jaren gedaald. 'Als niet snel maatregelen genomen worden, zakt het leerlingwezen in elkaar.'

Aan de rand van Rotterdam, in haven 550, ligt de bedrijfsschool van scheepsbouwer Wilton-Fijenoord. Verscholen tussen de schepen op de werf, stralend van nieuwigheid en strak in de rood-witte verf, opende de school deze maand weer haar deuren voor 190 leerlingen uit de regio Rijnmond. Zij leren daar in twee tot drie jaar tijd de kunst van het lassen, bankwerken, plaatwerken of pijpenbewerken. Kortom - zoals dat vroeger zo mooi heette - ze leren daar een vak.

“Het liefst wil ik op een schip werken”, zegt Marcel Dieterman, een wat schuchtere blonde achttienjarige, die dit jaar zijn diploma voor pijpfitter hoopt te halen. Nadat hij de LTS had afgerond, was hij eerst direct gaan werken, “maar ik wilde toch wat extra diploma's halen”. Dat hij die op deze school kan binnenslepen door zijn handen te gebruiken, maakt het allemaal “hartstikke leuk”. Zijn Marokkaanse schoolgenoot Jahia (18), al even verlegen als Marcel, begint na licht aandringen enthousiast uit te leggen wat alle knoppen en instrumenten op 'zijn' machine in het praktijklokaal allemaal te betekenen hebben. Ook hij hoopt na zijn opleiding tot onderhoudsmonteur bankwerker in de voetsporen van zijn oudere broer bij Wilton-Fijenoord in dienst te kunnen treden.

Dat de Wilton-Fijenoordschool, in 1924 opgericht en daarmee een van de oudste bedrijfsscholen van Nederland, nog bestaat en dit jaar zelfs een gloednieuw onderkomen heeft gekregen, is eigenlijk een wonder. Want onderwijs is duur en behoort allang niet meer tot de core-business van het bedrijfsleven. Een onderneming als Philips, die tientallen jaren in een eigen schoolgebouw voor de opleiding van haar vakmensen zorgde, heeft de praktische scholing allang gedecentraliseerd en de theorievorming overgedragen aan regionale onderwijsinstituten. Vrachtwagenproducent DAF Trucks heeft de eigen schoolgebouwen vorig jaar overgedaan aan het Regionaal Instituut voor Vak- en Beroepsonderwijs (RIVB). Wilton-Fijenoord wilde de eigen opleiding behouden omdat het werk op een werf speciale vaardigheden vereist, maar ook deze onderneming slaagt er allang niet meer in om alle leerlingen na de opleiding een arbeidscontract op de werf aan te bieden. Door afspraken te maken met metaalbedrijven in de regio zijn alle gediplomeerde scholieren toch verzekerd van een baan.

Scala

De bedrijfsschool van Wilton-Fijenoord valt in het Nederlandse onderwijsbestel in de categorie leerlingwezen. Samen met het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) vormt het leerlingwezen het fundament van het voortgezet praktijkgericht onderwijs. In het MBO ligt het accent vooral op theorievorming, met daarnaast een stage om de opgedane kennis in de praktijk te toetsen; in het leerlingwezen hebben de leerlingen meestal een baan voor drie of vier dagen per week en gaan zij één dag per week naar school om theoretisch bijgespijkerd te worden. In tegenstelling tot het MBO - waar de leerlingen een basisbeurs van de overheid krijgen - verdienen de deelnemers aan het leerlingwezen dan ook een normaal salaris of krijgen zij - zoals bijvoorbeeld in de metaal gebruikelijk is - een vergoeding via een door de brancheorganisatie opgericht fonds. De theorielessen zijn voor een deel via de overheid gesubisidieerd. Of het resterende deel door werkgever of werknemer wordt betaald, hangt af van de regelingen in de sector.

Hoewel de indruk vaak bestaat dat scholing via het leerlingwezen vooral bestemd is voor 'technische' beroepen, omvat het totale leerlingwezen een veel breder scala. In totaal zijn er op dit moment ongeveer 400 beroepsgerichte opleidingen voor vrijwel alle sectoren van de Nederlandse economie. Daarbij neemt de 'harde industrie' wel de meeste instroom voor haar rekening. Van de 50.781 leerlingen die in 1992 in het leerlingwezen begonnen (cijfers Schoolverlatersbrief 1993), werkten er 16.309 in de metaalsector en kwamen er 6.052 uit de bouw. Iets meer dan tien procent (5.510) oefende een verzorgend of dienstverlenend beroep uit (variërend van kappers tot bejaardenzorg).

Dat ook in het leerlingwezen de 'blauwe boorden' steeds meer plaats moeten maken voor de 'witte boorden', blijkt uit het feit dat gemeten vanaf 1983 - toen het leerlingwezen zich als gevolg van de zware economische recessie op een dieptepunt bevond - de grootste groei in de sector 'handel en kantoor' heeft plaatsgevonden: van 1.772 tot 6.691 in 1992.

Demografische ontwikkelingen en de verslechterende economie (waardoor bedrijven minder geneigd zijn om personeel op te leiden) hebben er toe geleid dat de enorme groei die het leerlingwezen tussen 1983 en 1990 doormaakte, in de afgelopen drie jaar is omgeslagen in een daling. Na het hoogtepunt van 1990, toen het aantal leerlingen ten opzichte van 1983 was verdubbeld tot 53.158, is het leerlingtal inmiddels weer teruggezakt tot 45.000.

Voor de overheid komt deze daling verre van gelegen. Vorig jaar kondigde het kabinet juist aan dat in drie jaar tijd de instroom in het leerlingwezen met 20.000 leerlingen moet worden vergroot. De relatief hoge werkloosheid onder dat deel van de beroepsbevolking met een 'algemene' opleiding (zoals mavo en havo), in combinatie met het feit dat veel vacatures voor ambachtelijk geschoold personeel niet vervuld kunnen worden, heeft de ogen van de politiek de afgelopen jaren geopend voor de merites van het leerlingwezen. Dat deze vorm van opleiding over het algemeen goed aansluit bij de praktijk en bovendien voor de overheid verhoudingsgewijs een zeer goedkope vorm van onderwijs oplevert, maakt de aantrekkingskracht des te groter.

Volgens voorzitter drs. J.C. Blankert van de werkgeversorganisatie NCW probeert de overheid bij het leerlingwezen van twee walletjes te eten. Enerzijds moet de instroom vergroot worden, maar tegelijkertijd is de tegemoetkoming van de overheid aan de werkgevers voor deze leerlingen teruggebracht van 6.000 naar 1500 gulden per twee jaar. Omdat die subsidie reductie samenvalt met een nog steeds niet florissante economische situatie en de kosten van les- en cursusgelden de afgelopen jaren sterk zijn gestegen, zal het animo van het bedrijfsleven om leerlingen op te leiden volgens Blankert alleen maar verder teruglopen. “Als niet snel maatregelen genomen worden, zakt het leerlingwezen in elkaar”, zei Blankert begin juni bij de presentatie van een COB/SER-rapport over het rendement in het leerlingwezen.

Kaartenbakken

NCW-voorzitter Blankert is niet de enige die zich zorgen maakt over de conjunctuurgevoeligheid van het leerlingwezen. Volgens directievoorzitter W.P. Metsemakers van het Regionaal Instituut voor Vak- en Beroepsonderwijs (RIVB) te Eindhoven, zouden zowel de sociale partners als de overheid zich veel sterker moeten commiteren aan het leerlingwezen. Metsemakers, die zich “een leerlingwezen-man in hart en nieren” noemt en zelf als leerling-bankwerker bij de Nederlandse Staatsmijnen is begonnen, voelt veel voor het Duitse systeem. “Daar is het duale systeem (werken en leren, red.) veel sterker en zijn er strikte wettelijke afspraken waar de werkgevers zich aan moeten houden. Ook als de werkgever op dat moment niemand opleidt, moet hij toch voor het systeem betalen”.

In Nederland, waar een leerling in principe alleen kan deelnemen als hij een baan heeft, hangt de omvang van de instroom nauw samen met de vraag van werkgevers. Die conjunctuurgevoeligheid zal volgens Metsemakers nog erger worden als de plannen van onderwijsminister Ritzen doorgaan om de financiering van het theoretische deel van het leerlingwezen strikt af te gaan rekenen op grond van afgesloten leerovereenkomsten (waarin de werkgever belooft de leerling in de praktijk op te leiden).

Op dit moment kunnen leerlingen, onder de voorwaarde dat zij binnen vier maanden een baan hebben, alvast aan het theoriedeel beginnen en krijgen zij hulp van de consulenten bij het vinden van een werkgever. Als de plannen van Ritzen doorgaan, zullen volgens Metsemakers vooral de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, die moeilijker op eigen kracht een baan vinden, veel minder snel kunnen instromen. “Daardoor zullen zo'n 10.000 à 12.000 jongeren aan de kant worden geschoven”. Metsemakers, zichtbaar geïrriteerd: “Laat die jongeren toch niet wegzakken in de kaartenbakken van het RBA, maar hou ze in de lucht”.

De financiering van het leerlingwezen is niet het enige politieke voorstel dat stof heeft doen opwaaien. Hoewel Ritzen zijn eerdere plan om het middelbaar beroepsonderwijs en het leerlingwezen in elkaar te schuiven na hevig verzet van de scholen en de sociale partners heeft ingetrokken, zal het wetsvoorstel Educatie en Beroepsonderwijs (nu bij de Tweede Kamer) toch tot een reorganisatie van het leerlingwezen leiden.

In de huidige opzet van het leerlingwezen is de verantwoordelijkheid voor het praktische en het theoretische deel gescheiden. Het praktijkdeel valt onder de landelijke organen (die vaak per branche georganiseerd zijn en waarvan het bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties), terwijl het theoriedeel door onderwijsinstituten als het RIVB wordt verzorgd. In de nieuwe regionale opzet die Ritzen voor ogen staat - waarbij MBO's en leerlingwezen op vrijwillige basis kunnen deelnemen - is veel minder ruimte weggelegd voor de landelijke (branchegerichte) organen en wordt de verantwoordelijkheid voor het praktijkdeel bij de scholen neergelegd.

Die verschuiving zal volgens P.A.W. Hendriks, adjunct-directeur van de Stichting Vakopleiding in het Kappersbedrijf (SVK) tot gevolg hebben dat er veel minder controle zal worden uitgeoefend op het praktijkonderwijs. Volgens hem is het sterke punt van het leerlingwezen - het feit dat de opleiding voor het grootste deel tijdens het werk plaatsvindt - tegelijkertijd de zwakte van de formule. “Wie een slechte werkgever treft, krijgt een slechte opleiding en heeft dus dubbel pech”, zegt Hendriks. Leerlingen die iets dergelijks overkomt, kunnen nu aankloppen bij de consulenten van de landelijke organen, die de werkgever vervolgens kunnen wijzen op de in de leerovereenkomst gemaakte afspraken. “Omdat onze consulenten landelijk opereren, kan er een algemeen kwaliteitsniveau van het onderwijs in stand worden gehouden”, aldus Hendriks.

Witte-boordengevoel

Zowel Hendriks als Metsemakers zijn er vast van overtuigd dat het leerlingwezen een essentiele schakel vormt om de steeds diepere kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt te overbruggen. “De mammoet-wet heeft het witte-boordengevoel in onze maatschappij te veel versterkt. Via een betere vorm van leerlingwezen kunnen we de vervreemding van ons onderwijsbestel wat trachten tegen te gaan”, zegt Metsemakers. Hij zegt bovendien langzamerhand signalen te krijgen dat de belangstelling van scholieren en hun ouders voor het leren van 'een vak' weer toeneemt, zeker nu de arbeidsmarktvooruitzichten voor leerlingen uit het lager en middelbaar algemeen vormend onderwijs zo teruglopen. “Vakmanschap wordt nog altijd redelijk ondergewaardeerd in onze maatschappij. Maar we merken nu wel dat er een omslag komt”.

Volgens Metsemakers zouden veel jongeren “die nu opgesloten zitten in het algemeen vormend onderwijs” erbij gebaat zijn om via de praktijk te leren. Vooral voor de jongeren die aan de onderkant van de arbeidsmarkt hangen en die er vaak geen heil in zien om verder te leren, is deze vorm van scholing volgens hem de beste manier om iets op te steken en aan een behoorlijke baan te komen. “Die jongeren willen niet meer dertig uur per week op school ronddobberen. In het leerlingwezen draaien ze direct als een soort volwassene mee.”