Een laboratorium met de schaal van 1 op 1

De Oosterscheldedam is de duurste afsluiting van de Deltawerken. In de Delta is nu alles uitgevoerd: een open, halfopen, gesloten en doorlatende oplossing met zoete en zoute varianten. Was dit allemaal nodig?

The Oosterschelde Estuary (The Netherlands): A Case-Study of a Changing Ecosystem. Edited by P.H. Nienhuis and A.C. Smaal. Kluwer Academic Publishers. Dordrecht 1994. 597 blz. Prijs ƒ 475,-. ISBN 0-7923-2817-5

Het woord staat niet in Van Dale: 'zandhonger'. Het is de waterstaatkundige term voor een verschijnsel dat zich al jaren in de Oosterschelde voordoet. Sinds dit estuarium in 1986 werd afgesloten met een stormvloedkering in de vorm van een doorlaatbare pijlerdam, verminderende het tijverschil met dertien procent. De stroomsnelheden liepen met dertig procent terug en de geulen zijn nu dieper dan nodig is voor de hoeveelheid water die erdoorheen stroomt. Omdat de geulen geneigd zijn zich met zand te vullen, wordt er continu zand van de platen weggespoeld. De platen kalven af en vallen korter droog dan voorheen. En juist die plekken zijn van groot belang als foerageergebied voor vogels, voor de honderdduizenden eenden, ganzen, scholeksters en tureluurs die hier hun kostje van schelpdieren, wormen en larven opscharrelen.

De schade blijkt voorlopig mee te vallen: “Tot nu toe zijn er geen nadelige effecten voor de vogels waargenomen en dat heeft waarschijnlijk te maken met het uitblijven van strenge winters sinds 1987, waardoor zich nog geen kritieke situaties hebben voorgedaan.” Zo luidt een toelichting in het boek The Oosterschelde Estuary (The Netherlands): A Case-Study of a Changing Ecosystem, een bundel artikelen waarin de resultaten van een reeks wetenschappelijke onderzoeken naar de Oosterschelde beschreven staan. Er hebben 56 auteurs aan meegewerkt.

Voor de medewerkers aan het boek gold een gemeenschappelijke vraag: wat zijn de ecologische effecten van de Oosterscheldewerken? Om daarop antwoord te krijgen, kwam het estuarium jarenlang als het ware aan de monitor te liggen. Zo werd het, in de woorden van de onderzoekers, “één van de best bestudeerde wateren ter wereld” ofwel “een laboratorium met de schaal van 1 op 1”, dat een schat aan informatie verschafte.

Een belangrijke gevolgtrekking is dat de 'zandhonger' nog niet is gestild. Daar staat tegenover dat de essentiële eigenschappen van de Oosterschelde - een schoon en soortenrijk milieu, leefgebied voor vogels, zeehonden en rotsfauna - behouden zijn gebleven of zelfs zijn verbeterd. “Het ecosysteem”, aldus de samenstellers van het Oosterscheldeboek, “heeft een veerkrachtige reactie laten zien op de veranderde randvoorwaarden; enerzijds door de robuustheid van soorten (zoals bodemdieren), anderzijds door aanpassingen van soorten (zoals fytoplankton) aan de nieuwe omstandigheden.”

Dat de natuur in de Oosterschelde haar definitieve balans nog moet vinden, zal duidelijk zijn, maar intussen is wel aan de oorspronkelijk gestelde eisen voldaan: een zoutgehalte boven de 15,5 gram per liter en een tijverschil groter dan 2,70 meter bij Yerseke.

Van een natuurlijk getijdegebied, waar het zeewater onbelemmerd in en uit kon stromen, is de Oosterschelde veranderd in een 'gedempt' getijdegebied: getemd door de 65 pijlers van de stormvloedkering. Dit was in 1976, onder het kabinet-Den Uyl, het peperdure compromis tussen de eisen van veiligheid en natuurbehoud.

Aanvankelijk was het de bedoeling de Oosterschelde, net als de Grevelingen, hermetisch af te sluiten, maar daar kwamen milieubeweging en beroepsvisserij (mossel- en oesterteelt) tegen in opstand. Zij ijverden voor het openhouden van de zee-arm, gepaard gaande met verhoging van alle dijken rond het Oosterscheldebekken: niet alleen de milieuvriendelijkste maar ook verreweg de goedkoopste mogelijkheid.

Nog steeds - achttien jaar na het beslissende Kamerdebat en acht jaar na ingebruikstelling van de stormvloedkering - klinken stemmen die de uiteindelijk gekozen oplossing betreuren. Nog onlangs viel de volgende klacht te beluisteren: “Van een echte studie naar de effecten van alle alternatieven, waaronder een open Oosterschelde met dijkverhoging of gesloten met een dam en gevuld met zout water, kwam het niet. Je zou je kunnen afvragen of de open Oosterschelde wel een faire kans heeft gekregen.”

De woorden, gesproken de aanbieding van het Oosterscheldeboek, waren niet van een gefrustreerde actievoerder of verbitterde mosselvisser, maar kwamen uit 'onverdachte' mond: die van dr. H.L.F. Saeijs, hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat in Zeeland - dezelfde dienst die eerst met grote animo aan potdichte afsluiting werkte en later de pijlerdam als technisch hoogstandje omhelsde.

Saeijs, 59 jaar oud, bioloog en in een grijs verleden rubberplanter op Sumatra, heeft in de loop der jaren diverse topfuncties bij waterstaat bekleed. Hij begon eind 1971 in Zeeland bij de pas opgerichte sectie milieu-onderzoek van de Deltadienst (als tweede bioloog van heel Rijkswaterstaat), was later hoofd van de afdeling waterhuishouding en waarnemend hoofd van de directie Noordzee in Rijswijk om ten slotte, mei 1990, naar Zeeland terug te keren, nu als hoogste baas van de provinciale directie. Sinds kort is hij tevens bijzonder hoogleraar aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam.

Saeijs geldt als een drijvende kracht achter de modernisering van de Nederlandse waterhuishouding (integraal waterbeheer) en staat bekend als iemand die zijn ecologische drijfveren niet onder stoelen of banken steekt.

Een voorbeeld daarvan was zijn, voor een ambtenaar ongewoon scherpe aanval op de hedendaagse zeevisserij. “De visserij”, sprak hij medio '92 op een symposium in Scheveningen, “heeft onder het motto 'Pakken wat je pakken kan in Niemandsland' desastreuze vormen aangenomen. Dat zie je over de hele wereld. De zee wordt bijkans leeggevist en de bodem wordt kaalgeschraapt. Tot veel meer dan primitieve voorhistorische jagers in de wildernis zijn we nog niet gekomen.”

En nu weer die vraag of de open Oosterschelde wel een faire kans heeft gekregen. Het antwoord zit al in de formulering besloten: nee. “Toen destijds het politieke compromis was gevonden, leek iedereen gelukkig”, licht Saeijs op zijn kantoor in Middelburg toe. “Maar de afwegingen die aan het besluit ten grondslag lagen, waren al even eenzijdig als die van de periode 1953-'58. In beide gevallen werd in haast gehandeld; na 1953 als gevolg van de ramp en na 1973 als gevolg van de dreigende onbestuurbaarheid van het land.” Met dat laatste doelt Saeijs op de verwikkelingen omstreeks 1975 in het kabinet-Den Uyl. Het compromis van de stormvloedkering kreeg daar aanvankelijk geen meerderheid, waarop ministers van D66 en PPR driftig met hun portefeuilles zwaaiden. Zij zouden opstappen als het oorspronkelijke plan - hermetische afgrendeling - werd uitgevoerd. Onder druk van die dreigende crisis sloot zich het regeringsfront ten gunste van de half-open oplossing.

Een honderd procent open Oosterschelde met dijkverhoging was toen al geen politieke optie meer. Volgens Saeijs omdat er destijds onvoldoende op die mogelijkheid is gestudeerd. “Dat het kàn”, zegt hij, “bewijst immers de Westerschelde, een estuarium zonder dam of stormvloedkering, waar dank zij dijkverhoging toch de veiligheid is gewaarborgd.” Hier speelde het economische belang van de Antwerpse haven een doorslaggevende rol.

Saeijs lijkt geen figuur die omziet in wrok, maar hij wil voor zichzelf en anderen wel een paar lessen trekken uit fouten die in het verleden zijn gemaakt. En dan gaat het om de hele delta van Rijn, Maas en Schelde, die na de watersnood van '53 door uitvoering van het Deltaplan ingrijpend is veranderd. In 1962 schreef H.J. Stuvel, toen een bekend publicist op waterstaatkundig gebied: “Hoewel nog veel werk voor de boeg ligt, zijn de grenzen van ons land tot in de verre toekomst reeds bepaald en wel door de zoveel mogelijk gesloten gladde kustlijn.”

Dat sloeg niet alleen op het Deltaplan, maar ook op “een soortgelijk project om de Waddenzee af te sluiten en ten dele droog te leggen”. Zó diep is Nederland niet gezonken, vooral dank zij de milieubeweging die naderhand kwam opzetten en weerklank vond bij politici. Maar in het zuidwesten des lands heeft die “gesloten gladde kustlijn” toch in belangrijke mate gestalte gekregen.

Speciaal het Haringvliet is een voorbeeld van wat er mis kan gaan, voor Saeijs niet minder dan een “nachtmerrie”. Toen deze zeearm in 1970 werd gedicht, had de chemische vervuiling van de Rijn haar hoogtepunt bereikt, waardoor het Haringvliet, samen met Hollands Diep en Biesbosch, werd opgezadeld met geweldige hoeveelheden verontreinigd slib. Saeijs ontleent hieraan een van de 'grote lessen': “Sluit de mond van een rivier nooit af vóór je die rivier weer schoon hebt. Je verzamelt een vracht gif op de bodem die iedere fantasie overtreft. Je creëert bovendien een probleem dat schier onoplosbaar en onbetaalbaar wordt.” Al voegt hij er wel aan toe: “Voor de Noordzee is het natuurlijk goed geweest, want daar kwam minder gif terecht.”

Er bestaan nu plannen tot sanering van de vervuilde waterbodems; tevens overweegt Waterstaat de spuisluizen in de Haringvlietdam te gebruiken als een soort stormvloedkering, zodat de zee weer kan binnendringen en de getijdenbeweging gedeeltelijk in Haringvliet, Hollands Diep en Biesbosch terugkeert. Saeijs: “De ontwerper van de dam, prof. Van der Velde, zei dat het kon en dat was voor ons een signaal om er mee verder te gaan. Ooit gold zout water als onbruikbaar, het was ongeveer synoniem voor slechte kwaliteit en bovendien stond het belang van de landbouw, altijd beducht voor verzilting, voorop, maar later mocht het zoutwatersysteem in de delta gelukkig een herwaardering beleven.”

Dat begon in feite met het Grevelingenmeer. Bij de afdamming in 1971 was dit bekken voorbestemd een zoet meer te worden en daar denkt Saeijs nog altijd “met afgrijzen” aan terug: “Op een dag bleef het Noordzeewater weg en vochten miljaren gezonde organismen tevergeefs voor hun leven. De dood waarde rond en het stonk er afschuwelijk. Binnen drie weken was het gebeurd en resteerde slechts een biologisch Pompeï: schelpen die verstijfd van schrik boven de grond uitstaken.”

Later kwam er, mede onder zijn invloed, een sluis in de dam om alsnog Noordzeewater toe te laten. Dat heeft bij Saeijs de droefenis in pure vreugde doen omslaan: “Het resultaat is verbluffend. Tientallen kilometers helder zout water met een bloeiende levensgemeenschap, met vette paling, oesters en mosselzaad, goed voor miljoenen guldens per jaar. Bovendien levert het Grevelingenmeer recreatiemogelijkheden op èn nog steeds in belang groeiende natuurgebieden. Een goed voorbeeld van wat ik ecologische wederopbouw noem. Zo moeten we overal aan de slag waar we de boel verknalden; we moeten gewoon weer aanschuiven bij moeder natuur.”

Ook de Oosterschelde in zijn nieuwe gedaante kan tot op zekere hoogte (de 'zandhonger' woedt voort) model staan voor dit aanschuiven, maar het heeft wel wat gekost: bijna acht miljard gulden, circa vijf miljard meer dan het 'open alternatief' met dijkverzwaring. Reden voor blijvende onvrede? Saeijs doet er niet te moeilijk over: “Het compromis van de stormvloedkering kon naar mijn mening alleen tot stand komen in een tijd dat het geld niet op leek te kunnen, maar het zou onzin zijn te beweren dat die extra miljarden zijn weggegooid. Vergeet niet dat het Oosterscheldebesluit, nog afgezien van de geweldige spin-off, een belangrijke aanjager voor het milieubewustzijn is geweest.”

In zijn kantoor hangt, vanzelfsprekend, een kaart van Zeeland en Saeijs' hand maakt daarover een diagonale beweging langs de kustlijn van Goeree naar Cadzand: “U ziet dat de drie estuaria, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde, verschillend zijn behandeld, maar steeds om de veiligheid te bereiken die in de Deltawet stond voorgeschreven. In het ene geval werd een dam aangelegd, in het tweede geval een open en te sluiten kering en in het derde geval werd volstaan met dijkverhoging. U ziet, er is heel wat mogelijk als we maar willen.”