Dingen die niet horen in de klas

DEN HAAG. Het is een taboe. Slecht nieuws, dat je liever ontkent dan erover na te denken. Laat staan dat je er openlijk over durft te praten. Het tast je zelfrespect aan. Het kan tot vreemde blikken leiden van vrienden en collega's. Uiteindelijk kost het ook nog geld. En dat vindt men tegenwoordig misschien wel het aller-, allerergste.

De drie mannen die op een nazomermiddag bijeen zijn gekomen in een vergaderzaaltje aan een zonnige, Haagse kade hebben zelf ook geaarzeld of ze wel wilden praten. Bedenktijd gevraagd, overleg gepleegd met de achterban en uiteindelijk bedongen dat ze anoniem zouden blijven. Maar nu ze er eenmaal zitten, lopen de monden over. We noemen ze A, B en C. In de gevel van het gebouw waar ze bijeen zijn staat in fraaie letters 'Bond van Nederlandsche Onderwijzers' gebeiteld. Ze zijn bestuurslid van die bond, die tegenwoordig ABOP heet, en het probleem is, laten we er niet langer omheen draaien, geweld op school. Beledigingen, pesterijen, schelden. Maar ook meppen, beuken, rammen. Leerlingen onder elkaar. Leerlingen tegen leraren. Leerlingen tegen ruiten, banken, muren. En ouders van leerlingen tegen leraren die daar iets tegen proberen te doen. Een probleem dat nog niet bestond in de tijd dat Theo Thijssen, de idealistische schrijver en hoofdonderwijzer, aan het hoofd stond van de bond.

“Maar de tijd van Thijssen, die komt nooit meer terug.” zegt C. Hij doet het spreekuur en ontvangt de laatste jaren steeds vaker leerkrachten die in psychische of fysieke moeilijkheden zijn geraakt als gevolg van geweld in de klas. “Moeilijk praten. Die mensen schamen zich dat ze door een veertienjarige zijn bedreigd.”

“De hele school ervaart het als een afgang,” valt A bij.

“Terwijl het zo gek toch niet is”, meent B. “De school is geen eiland. Geweld speelt een steeds grotere rol in de maatschappij en de subcultuur van jongeren is nu eenmaal verschrikkelijk agressief. Luister maar naar rap-teksten, kijk maar naar films. Een schoolhoofd uit de Schilderswijk zei laatst op een congres: mijn kinderen hebben geen idee wat de Tweede Wereldoorlog was, maar ze weten wel met welk kaliber er werd geschoten.”

Alledrie hebben ze er meer dan twintig jaar opzitten voor de klas. A en B herinneren zich een tijd dat geweld, maar bijvoorbeeld ook diefstal, nauwelijks issues waren. Leerlingen moeten tegenwoordig hun jassen meenemen in het lokaal, anders worden ze gestolen. Veel scholen verhuren kluisjes aan de kinderen, voor hun waardevolle spullen. B: “Dat zijn we normaal gaan vinden, je eigen normen verschuiven ook.”

Een paar jaar geleden werd er nog lacherig gesproken over 'Amerikaanse toestanden' als het ging over pasjes, metaaldetectoren en bewakingspersoneel op scholen. Amerikaanse toestanden - daar moesten we niet naar toe. A: “Dat vind ik nog steeds. Maar je moet wel reëel blijven. Kinderen dragen nu eenmaal wapens. Daar kan de school niet veel aan doen. Ik keer af en toe een jasje binnenstebuiten om te voorkomen dat de vlindermessen in de klas worden gebruikt. Hopelijk kom je daarna nog een stap verder en kun je vertellen waarom die dingen niet gezellig zijn. Maar de illusie dat je het wapenbezit tegenhoudt, die heb ik niet. Criminaliteitsbestrijding valt niet onder onderwijs. De school speelt niet meer zo'n grote rol in het leven van kinderen. Ze halen hun ideeën veel meer dan vroeger van elders - van straat, van de televisie. Er is toch ook geen enkele school in Nederland die drugsvrij is?”

C heeft zelf minder ervaring met het probleem. Voor hem is er niet zoveel veranderd. Hij werkt dan ook op een betrekkelijk kleine school, met kinderen die HAVO of VWO-opleidingen volgen. Dat kleinschaligheid de beste remedie is tegen geweld en misdaad staat in de onderwijswereld buiten kijf. “Persoonlijk contact werkt het beste,” zegt B. “Je hebt ouderwetse onderwijzers nodig. Wanneer er gespijbeld is, moet je geen briefje sturen. Dat helpt niet, dat wordt toch onderschept. Je moet zèlf naar de ouders toe, om met ze te spreken.” A: “Kinderen leven veel minder dan vroeger in geordende verbanden en verkeren veel vaker in anonieme situaties. Grote scholen zijn ook anoniem. Niemand kent er je naam. Als je iets verkeerd doet, heeft dat consequenties die nauwelijks met je persoon te maken hebben.” B: “Wat mij opvalt bij leerlingen die voor de rechter moesten komen was, dat ze over hun eigen daden spraken alsof ze door een ander waren verricht. Alsof de fase van escalatie automatisch was gegaan. 'Het is gebeurd, het is gebeurd' konden ze later alleen maar zeggen.”

Kort voor de zomer deed de voorzitter van de Haagse ABOP een poging de stilte rondom het taboe te doorbreken. Hij wees er in het openbaar op, dat de situatie uit de hand dreigt te lopen. De rector van zijn eigen school liet daarop verontwaardigd weten dat de situatie wel degelijk nog 'houdbaar' was en sommige collega's, die les geven op mega-scholen, eisten zijn aftreden. Niet omdat het probleem niet zou bestaan, maar omdat de uitspraken in een 'gevoelige periode' werden gedaan. In de tijd namelijk dat ouders nieuwe leerlingen moeten aanmelden, een school moeten kiezen voor hun kinderen. En als er iets tegenwoordig niet kan in het onderwijs, dan is het het risico lopen om leerlingen kwijt te raken. Daar zijn de drie mannen in het vergaderzaaltje het roerend over eens.

Een school is voor zijn inkomsten van het leerlingenaantal afhankelijk. Dit financieringssysteem zorgt ervoor dat pedagogische en maatschappelijke problemen onbespreekbaar zijn geraakt. Kwantiteit gaat boven kwaliteit. Het vleugje marktmechanisme dat 'gezonde concurrentie' in de slag om de meeste leerlingen introduceerde, noodzaakt scholen om een rooskleurig beeld van de situatie binnen de muren op te hangen, ook als daar in werkelijkheid geen aanleiding toe is. Een rector wordt niet meer alleen op zijn inzicht in de organisatie van het onderwijs gekozen, maar ook op zijn commercieel instinct geselecteerd. Er zijn al scholen die een pr-functionaris in dienst hebben genomen. Zo iemand doet straks de 'externe contacten', terwijl leraren en onderwijzers geacht worden te zwijgen over wat er in de klas gebeurt.

“Achter de schermen en in persoonlijke gesprekken heeft onze voorzitter enorm veel bijval gekregen”, zegt B. “Uit onze afdeling, van het hoofdbestuur en natuurlijk van leden die zelf met geweld te maken hebben gehad en niks hebben kunnen zeggen.” Volgende maand publiceert de gemeente Den Haag een draaiboek, een handleiding voor onderwijzers en leraren waarin ze kunnen lezen hoe ze op geweld in en om de school moeten reageren. Een open gesprek daarover, een discussie in Het Schoolblad aan de hand van concrete voorbeelden lijkt echter uitgesloten. De tijd van Theo Thijssen komt inderdaad niet weer.