De schijn van ongespletenheid

Kleine ergernissen, het dagelijks leven zit er vol mee. De een gaat steigeren bij de vraag 'spaarzegels mevrouw?'. De ander wordt furieus van te korte herensokken. En waarom daar niet eens lekker & onredelijk tegen fulmineren?

Deze week in de rubriek 'Weg met': de broekrok.

Van alle vrouwelijke kledingstukken maakt één bij mannen de meeste gevoelens los. Is het de jarretelgordel? Het mouwschort? De kous? Nee, het is de broekrok. En het tragische is dat die gevoelens altijd negatief zijn.

De broekrok is uitgevonden omdat een fiets met dameszadel het vernuft van de uitvinders te boven ging. Zoals bekend, stamt de fiets uit een tijd waarin het vrouwelijk been nog een bedreiging vormde voor de zedelijkheid. Vooral vrouwelijke benen in een waarneembare spreidstand ten opzichte van elkaar riepen meer verboden gedachten op dan de openbare orde kon verdragen. Als een dame paard reed, hing zij haar benen dan ook zoveel mogelijk aan één kant van het dier, wat nog knap gevaarlijk was. De fiets bood die mogelijkheid niet, en er moest wel een verdoezelend kledingsstuk worden uitgevonden, waarin de draagster althans een zekere schijn van ongespletenheid kon ophouden.

Maar de kuisheid verdween en de broekrok bleef. Waarom, dat is een van de vele onbegrijpelijkheden van de mode. Met de bevrijding van het damesbeen, zou je zeggen, is dit kledingstuk een noodoplossing geworden die niet meer nodig is. Toch wordt het nog gedragen. Niet overal, dat moet gezegd, wij vinden er in Bussum meer dan in de Amsterdamse binnenstad, maar zoiets geldt voor zo veel kledingsstukken.

Redenen om hem niet te dragen zijn er te over, praktische zowel als esthetische. De belangrijkste is: de broekrok moet uit in situaties waar de rok dat niet hoeft. En de voordelen van een echte broek, namelijk dat hij niet fladdert of blijft haken, dat hij de stap niet belemmert en toch het silhouet versmalt, die heeft hij niet te bieden.

Een broekrok is nooit flatteus. Het probleem zit vooral aan de achterkant. Geen vrouw heeft een achterwerk dat bestand is tegen de genadeloze vervorming door een broekrok. Groot, breed en vierkant wordt het beeld, hoe fijn ook de onderliggende vormen. Alleen wie stokstijf stil staat (en zo de indruk wekt een rok te dragen) kan er in een broekrok mee door. Ook de overgang van buik naar bovenbenen wordt al gauw problematisch, en is men eenmaal gaan zitten, dan raken zelfs de kuiten op de een of andere manier vertekend.

De tuinbroek - paars, feministisch, onerotisch - is nog wel eens onderwerp geweest voor een sarcastisch gedicht van een bekende Nederlandse dichter. Bij de broekrok kun je je zelfs zo'n poëtische reactie niet voorstellen.

Dat brengt ons bij het belangrijkste geheim van de broekrok. Dat mannen er niet van houden is verklaarbaar, ja, begrijpelijk. Maar waarom haten zij hem zo? Probeer het zelf, breng hem ter sprake in willekeurig welk mannengezelschap en het zal blijken: het is niet dat mannen hem niet zo mooi vinden, nee, zij haten hem. Machteloos zoeken zij naar woorden voor hun minachting.

Het ligt geloof ik aan zijn bedrieglijke karakter. Waar de tuinbroek, en ook de overall, nog rond voor hun ontoegankelijkheid uitkomen, zegt de broekrok van veraf iets anders dan van dichtbij. Je denkt (met de woorden van een man die hier niet graag genoemd zou willen worden) dat je overal bij kunt - en dan kan het toch niet.

De broekrok is hypocriet. Als dat impliceert dat mode en erotiek onlosmakelijk zijn verbonden, dan moet die waarheid maar weer eens onder ogen worden gezien. En het genootschap ter afschaffing van de broekrok, dat hoeft niet eens te worden opgericht: het is er al.