De jonge onderzoeker

The Young Scientists. America's Future and the Winning of the Westinghouse. Door Joseph Berger, Addison Wesley, 243 pagina's, ISBN 0-201-63255-1. Prijs: ƒ 62,45.

We mogen erin Nederland een beetje lacherig tegenaan kijken, of er zelfs ronduit afwijzend tegenover staan, maar in de Verenigde Staten maken awards een onvervreemdbaar deel uit van het maatschappelijk leven. De beste verkoper van de maand, de meest veilig werkende fabrieksarbeider, de netste hond van de buurt: je kunt het zo gek niet bedenken of er wordt wel een plaquette met inscriptie en foto voor opgehangen. En dat hele circus begint al in de eerste schooljaren, al dient gezegd dat niet uitsluitend intellectuele of sportieve prestaties in aanmerking komen.

Maar naarmate de kinderen ouder worden, wordt het allemaal wel steeds serieuzer. Zo is er op natuurwetenschappelijk gebied de Westinghouse Science Talent Search. Hieraan doen elk jaar zo rond de 1700 leerlingen uit de hoogste klassen van highschools uit heel de Verenigde Staten mee. En het is niet zomaar een eendaagse gebeurtenis: meestal zijn de deelnemers al meer dan een jaar bezig, vaak onder begeleiding van vooraanstaande onderzoekers. Een dergelijk vroege en zeer intensieve kennismaking met de natuurwetenschappen werpt wel degelijk zijn vruchten af, gezien het grote aantal wetenschappelijke prijzen dat de winnaars in hun latere carrière ten deel valt. Niet minder dan vijf van hen ontvingen zelfs een Nobelprijs.

In de begindagen van de talentenjacht, die voor het eerst in 1941 werd gehouden, kwamen de winnaars bijna altijd uit families van joodse immigranten. Die waren berooid uit Europa aangekomen en in het Beloofde Land inspireerden ze hun kinderen het vooral beter te krijgen dan zij. Aan het eind van de jaren zeventig waren het juist de kinderen met Aziatische voorouders (China, India, Taiwan, Korea) die als eerste uit de bus kwamen. Vreemd genoeg slaagt een aantal voor het overige onopvallende scholen er keer op keer in winnaars te produceren.

Betwetertjes

Het zijn dit soort fenomenen die Joseph Berger, onderwijsredacteur van de New York Times, er toe brachten om een serie reportages te wijden aan de Westinghouse. Ze zijn nu bijeengebracht in het boek The Young Scientists. Berger portretteert achtereenvolgens de scholen, de deelnemers en hun families. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan een beschrijving van het verloop van de wedstrijd van 1992, waaraan een paar van de eerder beschreven leerlingen deelnamen.

Wat opvalt is hoe zeer het succes van een school afhangt van de aanwezigheid van enthousiaste en inspirerende leraren. Vaak zijn ze zelf gepromoveerd en hebben een wetenschappelijke loopbaan opgegeven om les te kunnen geven. Verder is natuurlijk wat extra financiële ondersteuning van overheidswege onontbeerlijk, al blijven de toewijding van de leerlingen - die vaak meer dan zestig uur per week in hun project stoppen - en de inspiratie en steun van de ouders het belangrijkst.

Juist dat laatste aspect is, samen met het vermeende elitaire karakter van de scholen, van oudsher aan kritiek onderhevig. De benodigde extreme intellectuele inspanningen zouden een normale jeugd in de weg staan. Anderen zagen, met name in het begin van de jaren tachtig, in de door de (door Westinghouse geïnspireerde) oprichting van speciale science schools juist een middel ter bestrijding van wetenschappelijke brain-drain van universiteiten naar het lucratievere bedrijfsleven. Hierdoor zouden de Verenigde Staten hun leidende rol op het gebied van geavanceerde technologie aan het verliezen zijn aan landen als Japan of Duitsland.

De aardigste gedeelten van Bergers boek zijn de hoofdstukken waarin hij de leerlingen en hun families portretteert. Er zitten betwetertjes bij, maar voor het merendeel zijn het heel gewone leerlingen, met heel gewone interesses, zij het dat ze tot wat meer in staat zijn dan hun leeftijdsgenootjes. Tekenend zijn de onderwerpen die zij voor hun Westinghouse-projecten kozen: een fervent pool-speler wilde uitzoeken hoe lang de ballen met elkaar in contact zijn, en een donker meisje uit New York wilde weten of getuigen van een misdaad vooringenomen zijn ten opzichte van daders met verschillende huidskleur.

Bergers recept voor ouders is simpel: “Keep the curiosity bubbling” en schep een omgeving waarin onderzoek even natuurlijk is als spel. Zoiets mag voor Amerikaanse kinderen gelden, in Nederland is er op de middelbare school absoluut geen gelegenheid om wetenschappelijke nieuwsgierigheid de ruimte te geven. Het praktische gedeelte van het examen bij vakken als scheikunde, biologie en tegenwoordig ook natuurkunde is veel te beperkt en ligt veel te vast om ooit creatieve, Westinghouse-achtige projecten op te kunnen leveren. Is het niet tijd dat we eraan wennen dat een kind even goed kan uitblinken in wetenschap als in sport?