Advocaten zoeken nieuwe grondslag voor tarieven

Het uurtarief in de advocatuur ligt onder vuur. Tussen wat advocaten in rekening brengen en de markt wenst te betalen zit een aanzienlijk verschil. Maar niet alleen de hoogte van het basistarief - 280 gulden per uur - stuit op weerstand. Veel cliënten klagen bovendien dat de samenstelling van de declaratie onduidelijk is en dat advocaten tekort schieten in het vooraf aangeven van de financiële consequenties van hun opdracht.

Over geld praten vindt hij eigenlijk niet bon ton. Toch zijn er naar de mening van de Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, mr. T. de Waard, een aantal 'dringende redenen' wel over het tarief te spreken, zowel binnen de Orde als met de cliëntèle. Morgen is het tarief van de advocaat dan ook het hoofdthema van de Jaarvergadering van de Orde.

Recent onderzoek van de Consumentenbond toont aan dat advocaten maar in één op de vier gevallen vooraf hun uurtarief meedelen, terwijl ze daartoe volgens de gedragscode van de Orde te allen tijde verplicht zijn. Ruim de helft van de ondervraagden had helemaal niets over het tarief te horen gekregen terwijl de rest er zelf naar had gevraagd. Zich ervoor generen, is een belangrijke reden voor de advocaat om zijn tarief te verzwijgen, blijkt uit het jongste nummer van Advocatendossier. Volgens Deken De Waard ligt het genuanceerder: “Advocaten willen met een cliënt een vertrouwensrelatie opbouwen. Daardoor zijn ze in het begin terughoudend in het over de rekening praten. Dat daardoor de verwachtigingen van de cliënt weleens niet uitkomen, is bij de Orde bekend. We overwegen dan ook onze leden te adviseren het tarief vooraf schriftelijk vast te leggen. Inclusief een prognose van de kosten.”

Uit een in opdracht van de Orde zelf gehouden marktonderzoek blijkt dat voor slechts 16 procent van de respondenten een uurtarief boven de 250 gulden aanvaardbaar is. Een meerderheid van de ondernemers in het midden- en kleinbedrijf stelt zelfs 150 gulden het maximale uurtarief te vinden. De Waard vermoedt dat particulieren daar al niet anders over denken, zeker daar de btw hier nog eens bovenop komt. Advocaten zouden meer marktgericht moeten calculeren, meent De Waard. “Als blijkt dat een bepaalde cliëntengroep 250 gulden per uur acceptabel acht, dan zou de advocaat dat tarief met zijn cliënt moeten afspreken.”

Tot in de jaren zeventig was er geen enkele richtlijn voor wat in rekening werd gebracht. Het declaratiebedrag bepaalden advocaten destijds door het dossier 'te wegen op de hand', zoals een van de oprichters van het gerenommeerde kantoor Loeff Claeys Verbeke, mr. J. Loeff, dat noemde. Begin jaren zeventig ontwikkelde de Rotterdamse Orde een declaratiemethode, omdat het onmogelijk was cliënten uit te leggen waarom een zaak hun een bepaald bedrag kostte. Deze methode, die door de landelijke Orde werd overgenomen, geldt als richtlijn tot op de dag van vandaag.

Het declatiebedrag is het produkt van A x B x C. Daarbij is A het basis uurtarief, B de aan een zaak gewerkte tijd en C een getal groter of kleiner dan 1 afhankelijk van onder meer de draagkracht van de cliënt, de moeilijkheid, het belang en het succes van de zaak en de reputatie, ervaring en de specialistische kennis van de advocaat. Het basis uurtarief (A) werd gerelateerd aan het salaris van een rechter bij een provinciale rechtbank. Idee daarachter was de inkomenspolitiek van wijlen minister-president J. Den Uyl. Die wilde de inkomens in de vrije beroepen in de hand houden door deze te verbinden aan het salaris van vergelijkbare ambtenaren. Rekening houdend met het feit dat een advocaat zijn eigen kosten en pensioenopbouw moet betalen kwam het salaris in 1973 uit op 155.000 gulden. Inmiddels is het opgelopen tot 336.000 gulden, bij gemiddeld 1200 declareerbare uren per jaar. In het basis uurtarief van 280 gulden zit ruim 100 gulden aan kantoorkosten (secretaresse, huisvesting, inventaris e.d.). In de praktijk variëert het gedeclareerde uurtarief, van 80 gulden (sociale advocatuur) tot 800 gulden.

Advocaten bewegen zich op een markt die zich kenmerkt door toenemende concurrentie. Andere aanbieders van juridische diensten, zoals rechtsbijstandverzekeraars en accountants, zijn in opkomst. De totale markt, vorig jaar geschat op 4,5 miljard gulden, groeit. Maar het aandeel daarin van de advocatuur neemt af, volgens CBS-statistieken ging het in 1992 om 1,8 miljard gulden. Nederland telde begin dit jaar 7.595 advocaten, van wie 2196 vrouwen. De meeste van hen zijn gevestigd in de randstad. Amsterdam huisvest er 1778, Rotterdam 991 en Den Haag 899. Van de advocatenkantoren zijn er 1020 een eenmanszaak, 937 een maatschap van 2 tot 5 personen, 264 een maatschap van 5 tot 60 personen en 12 een maatschap met meer dan 60 advocaten.

Terrein verliezen de advocaten zowel op gespecialiseerde rechtsbijstandverzekeraars als DAS en ARAG, als op algemene verzekeraars als Nationale Nederlanden, AMEV en Interpolis. Ze verzekeren onder meer: letselschade, gezinsrechtsbijstand en beroeps- en bedrijfsaansprakelijkheid. De premies variëren vanaf 80 gulden voor een rechtsbijstandverzekering voor motorrijtuigen, circa 300 gulden voor een gezin en vanaf 600 gulden voor bedrijven. Afgezet tegen het basis uurtarief van 280 gulden kunnen dergelijke polissen al snel aantrekkelijk zijn.

Voor het succes van de rechtsbijstandverzekeraars heeft ARAG-directeur mr. P. Heuperman een eenvoudige verklaring: “De samenleving wordt ingewikkelder, bevolkingsdichtheid en het verkeer nemen toe en de kans op conflicten wordt dus groter.” Ook de houding van de advocatuur waar het hun declaratie betreft speelt naar zijn mening een belangrijke rol. “Advocaten gedragen zich vaak lijdelijk. Ze zeggen: we vertalen alleen de materie juridisch”, legt Heuperman uit. Maar volgens hem heeft de advocaat een veel machtiger positie. “Als hij beseft dat het geen zin heeft om te procederen, zou hij dat tegen zijn cliënt moeten zeggen.”

Bij de juridische dienst van de ARAG werken 230 mensen, van wie ruim 100 academici. Het bedrijf haalde over 1993 65 miljoen gulden inkomsten aan premie binnen. Van het totaal aantal zaken besteedde ARAG de afgelopen jaren gemiddeld zo'n vijf procent uit. Vaak omdat de rechtsbijstandverzekeraar niet om het procesmonopolie van de advocaat heen kon of onvoldoende specialistische kennis in huis had.

Volgens Heuperman is de gemiddelde advocaat teveel gericht op het rekken van tijd en het verlengen van de procedure. Dat is, zo zegt hij, ook de reden dat voor ARAG de afgelopen jaren de kostenpost externe juristen met zo'n 40 procent toenam. “Advocaten hadden er een gewoonte van gemaakt om onze dekkingslimiet van 50.000 gulden per zaak tot de laatste cent te benutten”, foetert Heuperman. Om daar een eind aan te maken voerde ARAG vorig jaar een nieuwe strategie in. In plaats van nog langer ieder jaar gebruik te maken van de diensten van zo'n 200 advocatenkantoren, bouwt het nu aan een netwerk van maximaal 30 kantoren. Deze moeten bereid zijn voor een jaarlijks vaststaand bedrag, 350 duizend gulden, 125 zaken te behandelen. ARAG berekende dat voor de 125 zaken een gemiddeld aantal te declareren uren van 1500 redelijk is. De kantoren ontvangen dus 2800 gulden per zaak, ofwel 233 gulden per uur. Hoewel dat flink onder het basis uurtarief ligt, vond ARAG inmiddels zonder probleem 25 kantoren die daartoe bereid zijn. De stijging van de externe schadekosten is inmiddels afgenomen tot 15 procent, constateert Heuperman tevreden: “We hebben de kosten nu in de vingers en verwachten dat ze over een jaar stabiliseren.”

Volgens De Waard heeft de Orde “geen problemen” met de constructie van ARAG. “Mits het geen gedwongen winkelnering wordt. Cliënten moeten, ook als ze een rechtsbijstandverzekering hebben, de vrije keuze houden welke advocaat ze kiezen.”

Deken De Waard maakt zich zorgen over de forse bezuinigingen op de rechtshulp. Deze van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand bedroeg in 1992 246,4 miljoen gulden. Net zoals de WAO en de studiefinanciering beschouwt de regering deze bijstand als te ver doorgeschoten. In zogeheten ambtelijke heroverwegingsrapporten, die tijdens de kabinetsformatie circuleerden, werden bezuinigingen op de rechtshulp genoemd tot 135 miljoen gulden. In de Wet op de Rechtsbijstand werd al de afgelopen twee jaar de eigen bijdrage in drie fasen verhoogd. Gold in 1992 een maximum van 600 gulden, nu is dat 1305 gulden. Dat maximum moeten gehuwden, samenwonenden en eenoudergezinnen opbrengen vanaf een netto-inkomen van drieduizend gulden per maand. Kwam begin jaren tachtig 82 procent van de Nederlanders in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand, is dat thans teruggelopen tot 49 procent.

Hoogleraar burgerlijk procesrecht mr. A. Brenninkmeijer wees er deze maand, op een symposium over grondrechten in Den Haag, op dat de bezuinigingen van de overheid 'het begrip recht in de kern van zijn betekenis aantasten'. “Er geldt nog wel recht, maar de gewone burger heeft er niets aan.” Brenninkmeijer verwacht dat de 'sociale advocatuur massaal het loodje zal leggen' als gevolg van de bezuinigingen. Een situatie die hij vooral onrechtvaardig vindt omdat 'het feit dat de kosten van de rechtbijstand nu erg hoog zijn primair aan de overheid zelf ligt'. “Procedures voor de rechter zijn zo ingewikkeld doordat veel wet- en regelgeving onduidelijk, onvolledig en onjuist is”, aldus Brenninkmeijer.

Voor de advocaten zijn de bezuinigingen op de Wet op de Rechtbijstand een zware klap: ruim de helft van de bijna 7600 bij de balie aangesloten advocaten ontlenen er voor een belangrijk deel hun inkomsten aan. Volgens het jongste Advocatendossier haalt de balie 21 procent van de inkomsten uit hulp aan minvermogenden en 55 procent uit het midden- en kleinbedrijf. Vermogende particulieren en het grootbedrijf betalen de resterende respectievelijk 14 procent en 10 procent.

De Waard geeft aan bekend te zijn met financiële probleemgevallen, maar niet met faillissementen. De Orde helpt sociale advocaten met het opbouwen van een zogeheten gemengde praktijk. Daardoor zouden ze ook de financieel meer aantrekkelijke zaken kunnen doen. De Deken is verontrust over de bezuiningsdrift van de overheid omdat rechtsbijstand in strafzaken een grondrecht is. In veel civiele zaken is de procesvertegenwoordiging door een advocaat ook verplicht, zodat de rechtzoekende niet om de advocaat heen kan. “Een goed functionerende, toegankelijke advocatuur is van openbaar belang”, beklemtoont de Deken. “De overheid dreigt in gebreke te blijven met de grondwettelijke opdracht te zorgen voor de rechtsbijstand voor minder draagkrachtigen”, zegt De Waard. “De advocatuur mag daarom niet aarzelen nieuwe wegen in te slaan om de toegankelijkheid te verzekeren.” Een mogelijkheid daartoe ziet hij in verandering van declaratiemethoden. Daarbij denkt hij ook het aan het Amerikaanse no cure, no pay systeem, hoewel een speciale commissie van de Orde in 1992 nog concludeerde dat het verbod daarop gehandhaafd moest worden.

Op de jaarvergadering zal morgen de invoering van het no cure, no pay systeem nadrukkelijk aan de orde komen. Kern daarvan is dat het honorarium van de advocaat afhankelijk is van het door hem in een zaak behaalde financiële resultaat. Is het resultaat nul, dan verdient hij dus niets. In de Verenigde Staten bestaat no cure, no pay sinds midden vorige eeuw. Bij letselschade, incasso, onteigening en schadevorderingen in arbeids- en handelszaken bedingt de advocaat tussen eenderde en de helft van het binnengehaalde bedrag. Het wordt niet toegepast in familie- en strafzaken. In Nederland wordt no cure, no pay door de Orde alleen toegestaan in incassozaken.

Volgens de Amsterdamse advocaat mr. E. van der Schans van kantoor Houthoff is er binnen de Orde sprake van een kentering in de bezwaren tegen no cure, no pay. Hij noemt diverse argumenten vóór dit principe. Rechtzoekenden die niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking komen krijgen kosteloos toegang tot een advocaat. Het noopt advocaten zaken niet onnodig te rekken. En het vergroot hun inzet, doordat ze een eigen belang hebben bij de afloop van de zaak.

Van der Schans somt ook een aantal tegenargumenten op. Het eigen belang bij de afloop kan leiden tot conflicterende belangen tussen cliënt en advocaat. De advocaat kan neigen een schikking te treffen om op korte termijn zijn aandeel op te strijken, terwijl zijn cliënt wil doorprocederen om een hoger resultaat te bereiken. Ook zou een groot belang bij de afloop advocaten in verleiding kunnen brengen zich over te geven aan onoirbare praktijken, zoals het beïnvloeden van getuigen of het achterhouden van bewijzen. Het kan er bovendien toe leiden dat ze alleen nog ijzersterke zaken aannemen, waarvan op voorhand een bepaald financieel resultaat is te verwachten. Rechtzoekenden met zwakke of moeilijk bewijsbare zaken zullen dus met no cure, no pay niet geholpen zijn. Tot slot wijst Van der Schans op het risico van de opwaartse druk op aanhangig gemaakte schadeclaims en de omvang van de claims zelf, zoals waarneembaar in de VS. Daar worden schadeclaims veelvuldig in een vroegtijdig stadium door verzekeraars afgekocht, onder meer om hoge proceskosten te voorkomen. Dit leidt tot premieverhogingen, die uiteindelijk altijd door de consument worden betaald.

Bij bestudering van de tegenargumenten is het Van der Schans opgevallen dat de speciale Amerikaanse situatie een belangrijke rol speelt. Zo bestaat daar juryrechtspraak, met beïnvloedingsmogelijkheden die het Nederlands recht niet kent. Wat Nederland volgens hem wel heeft is het optreden van slechte advocaten, die slecht onderbouwde claims ondersteunen en procederen met onoirbare middelen. “Dat verschijnsel echter moet niet worden bestreden met een verbod op no cure, no pay”, stelt Van der Schans. “Maar door advocaten van het tableau te verwijderen.” Dit betekent dat de Orde ze voor het leven schortst. Gemiddeld gebeurt dit volgens de Orde zo'n twee keer per jaar. Volgens Van der Schans zou invoering van no cure, no pay, mits gebonden aan strikte regels, overwogen moeten worden in bijvoorbeeld letselzaken en bij schadevorderingen.

De Waard zegt zich gedeeltelijk in Van der Schans' opinie te kunnen vinden, maar ziet ook een aantal bezwaren. “Het vergroten van het eigen belang bij no cure, no pay is een onvermijdelijk deel van een dilemma”, onderkent De Waard. “Of je sluit de zwakkere in de samenleving uit van de rechtsgang, of je tornt aan de essentie van de bijstand van een advocaat: zijn onafhankelijk, onbevangen juridisch oordeel over de merites en de haalbaarheid van de zaak. We moeten waken dat daar geen oneigenlijke overwegingen insluipen”, waarschuwt de Deken.

Naast het vaste bedrag per uur en no cure, no pay ziet hij nog andere grondslagen voor het tarief. De Waard denkt daarbij aan een vast bedrag voor een hele zaak en het voorwaardelijke tarief. “Bij een goede afloop van de zaak krijgt de advocaat dan bijvoorbeeld 250 gulden per uur en bij een verloren zaak 200 gulden”, licht hij toe.

Is voor De Waard en Van der Schans no cure, no pay bespreekbaar, dat is het niet voor ARAG-directeur Heuperman: “Zelfs niet als mijn kostenpost advocaten zou afnemen. Bij no cure, no pay krijgt de advocaat een te groot eigen belang bij de zaak. Hij wordt dan harder en agressiever. Ik heb er geen enkel probleem mee de advocaat voor zijn werk te betalen, zelfs niet als het wat meer moet kosten, mits het calculeerbaar is”, stelt Heuperman. “Maar als jij zo'n vast uurbedrag wil krijg je minder kwaliteit, zeggen advocaten dan soms tegen me. Dat zijn de kwaadste, die hebben de slechtste ethiek. Die gaat het er niet primair om de zaak te winnen. Ze willen gewoon het maximale bedrag binnenhalen.”