Advocaat van Van Damme

In 'De Haagse Staat' van 26 september wordt gesteld dat er een meningsverschil zou hebben bestaan tussen mij en de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken inzake het verlenen van rechtsbijstand door een Nederlandse advocaat in de zaak-van Damme. Niets is minder waar.

Nadat de heer Janssen van Raay (overigens bij mijn weten niet op instigatie van het Tweede Kamerlid de Hoop Scheffer) mij had gesuggereerd een Nederlandse advocaat in de arm te nemen, onder meer ter formulering van het gratieverzoek, heb ik tezamen met de secretaris-generaal de door de heer Janssen van Raay aanbevolen advocaat ontvangen. Tijdens het gesprek met betrokkene werd ons op geen enkele wijze duidelijk welke meerwaarde het inzetten van een Nederlandse raadsman, die overigens niet aan de uitstekend functionerende Singaporese advocaat zou worden toegevoegd, zou kunnen hebben. Het is uitsluitend op grond van deze overweging (en niet om financiële redenen) dat ik besloten heb niet op de suggestie van de heer Jansen van Raay te moeten ingaan. Ikzelf heb hem daarvan op de hoogte gesteld, de secretaris-generaal heeft de betrokken advocaat ingelicht. Een en ander laat overigens onverlet de meer principiële vraag of, en zo ja wanneer, op kosten van de overheid rechtsbijstand moet worden verleend aan landgenoten die in het buitenland terecht moeten staan op verdenking strafbare feiten te hebben gepleegd. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, waar ligt dan de grens: bij het opleggen van de doodstraf of reeds bij het eisen daarvan? Of ook bij het eisen of opleggen van een langdurige vrijheidsstraf die in gevangenissen met een soms zeer onmenswaardig regime moet worden uitgezeten? Zoals gezegd, deze laatste vraag heeft in het onderhavige geval geen doorslaggevende rol gespeeld.