Werklozenproject van Stichting Kunstwerk succes, verzet blijft

ROTTERDAM, 28 SEPT. Het project van de Stichting Kunstwerk om via de organisatie van drie theaterprodukties werkloze kunstenaars aan een baan te helpen, is redelijk geslaagd. De grote weerstand die het landelijke project heeft opgeroepen bij theaterdirecteuren en vrije producenten maakt de kans echter klein dat de stichting nogmaals dergelijke eigen produkties op touw zal zetten. Die conclusie trekken onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam in het vandaag gepresenteerde evaluatie-onderzoek van de Stichting Kunstwerk.

De drie produkties die de Stichting Kunstwerk, opgericht en grotendeels gefinancierd door de Nederlandse arbeidsbureaus, in het theaterseizoen 1993/94 organiseerde, waren A Chorus Line, Kees de Jongen en Tonight. De bedoeling van het project was ongeveer 180 langdurig werkloze kunstenaars (acteurs, musici, dansers en zangers) via deze produkties werkervaring op te laten doen, waarna zij gemakkelijker aan de slag zouden kunnen komen bij de reguliere opdrachtgevers. Kunstenaars die in aanmerking wilden komen, moesten minstens een half jaar werkloos zijn en ingeschreven staan bij het arbeidsbureau.

Hoewel de Stichting vanaf het begin liet weten dat geïnteresseerde podiumkunstenaars via audities moesten aantonen over voldoende talent te beschikken, ontstond volgens de Rotterdamse onderzoekers drs. S. de Smit en drs. T. IJdens al snel het beeld dat de produkties niets meer zouden zijn dan een “ondermaats werklozenproject”. Theaterdirecteuren klaagden over het feit dat het aanbod van produkties al veel te groot was, terwijl de vrije producenten de Stichting Kunstwerk betichtten van concurrentievervalsing. Als gevolg van die negatieve beeldvorming bleken de werkloze kunstenaars zelf - uit angst om een 'kneuzig' imago te krijgen - aanvankelijk veel minder happig dan de Stichting had voorzien.

Uit de auditierondes die na een forse vertraging (onder andere omdat de bestanden van de arbeidsbureaus verouderd of vervuild bleken) in de eerste helft van 1993 zijn gehouden, zijn uiteindelijk 188 kunstenaars geselecteerd. De drie produkties die in het daaropvolgende theaterseizoen door hen zijn uitgevoerd, zijn volgens de onderzoekers “tamelijk positief” ontvangen. Dat een aantal reguliere werkgevers informatie heeft opgevraagd over verschillende deelnemers, bevestigt volgens hen het beeld “dat het mogelijk is om produkties van redelijke kwaliteit op te zetten met (langdurig) werkloze podiumkunstenaars”.

Dat de Stichting Kunstwerk via het opzetten van eigen produkties haar doel - de verbetering van de arbeidsmarktpositie van deelnemende kunstenaars - heeft bereikt, lijdt volgens de onderzoekers weinig twijfel. Nadeel is echter de grote weerstand van theaterdirecteuren en vrije producenten, die van mening zijn dat op deze manier één groep werkzoekende kunstenaars wordt geholpen ten koste van de werkgelegenheid van andere kunstenaars. “De bereidheid van deze partijen om mee te denken over sectorale werkervarings- en scholingsmaatregelen zal niet toenemen als de Stichting Kunstwerk opnieuw grote, zelfstandige produkties op de markt zet”, concluderen de opstellers van het evaluatierapport. Hun suggestie is om de activiteiten van de Stichting, die in ieder geval nog tot eind 1995 zal blijven bestaan, te laten aansluiten bij initiatieven die werkzoekende kunstenaars zelf ondernemen.