Van Mierlo en de VN

EEN MINISTERIËLE REDE voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties moet voldoen aan twee voorwaarden. De vinger moet nadrukkelijk worden gelegd op de tekortkomingen van de organisatie, en tegelijkertijd moet het geloof erin opnieuw worden bevestigd. De rede van minister Van Mierlo volgde gisteren dat patroon. Dat kon ook niet anders omdat enerzijds het falen te opzichtig is om het te kunnen verbloemen, en anderzijds de conclusie dat de onderneming maar beter kan worden gesloten iedereen met lege handen zou achterlaten. Tegen die achtergrond beschouwd heeft de Nederlandse bewindsman zijn best gedaan om een geloofwaardige analyse van de gebreken te verbinden met enkele hoopvolle suggesties.

Op één punt onderscheidde Van Mierlo zich. Het is, sinds het aantal VN-operaties in de wereld de afgelopen vijf jaar drastisch is toegenomen, gebruik geworden om criteria te formuleren waarop interventies moeten worden beoordeeld. Vorig jaar nog had president Clinton daarvan een hele lijst op zak. Maar Van Mierlo maakt geen onderscheid naar situaties en prognoses. Hij sprak van de 'global village' en van de rechtstreekse CNN-verbinding tussen de brandhaard en de eigen haard en leek daarmee te willen zeggen dat de ene nood niet tegen de andere kon worden afgewogen. De vrijwillige brandweer delibereert tenslotte ook niet over de vraag of de brand in de kerk wel en die in het gemeentehuis niet moet worden geblust.

VAN MIERLO TOONT ZICH als anderen voorstander van regionalisering van de vredesmissies. Hij noemde Afrika als een voorbeeld van “bemoedigende tekens” van zelfhulp. En in Europees verband verwees de bewindsman naar de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa als een instelling die 'subsidiair' actief moet kunnen worden.

De oprichters van de Volkerenorganisatie hebben inderdaad al met de mogelijkheid van een vorm van decentralisatie van agressiebestrijding en vredeshandhaving rekening gehouden, maar dat neemt natuurlijk de risico's die er aan zijn verbonden niet weg. Een in het oog springend gevaar is dat mogendheden al snel hun eigen belangen gaan behartigen als zij zich bemoeien met een conflict in hun regio. De afstand die hen ervan scheidt is in verschillende opzichten (te) gering. Dat is bijvoorbeeld onweerlegbaar het geval bij het optreden van Rusland in republieken in zijn periferie. Dat was ook aan de orde toen de Europese Gemeenschap nog meende op eigen kracht de crisis in Joegoslavië te kunnen bezweren. En voor de Verenigde Staten behoeft geen uitzondering te worden gemaakt.

Het past in de politieke opvattingen van deze minister om zich zorgen te maken over de scheidslijn tussen de beslissers en degenen over wie wordt beslist. Dat geldt voor individuen, maar ook voor landen. Ergernis over de geringe invloed van Nederland op de gang van zaken bij vredesmissies waaraan Nederland met geld en mankracht bijdraagt, kon niet verborgen blijven. Van Mierlo bepleitte hier de oprichting van een aan de Veiligheidsraad verbonden orgaan waarin belangrijke troepenleveranciers zich kunnen laten gelden.

NEDERLAND KAN als bereidwillige contribuant aan de VN-vredestaak ten slotte evenmin heen om het beslissende dilemma waarvoor de Volkerenorganisatie zich ziet gesteld. Preventie, paraatheid, perfectie - het zijn, Van Mierlo wees daarop, onmisbare ingrediënten van iedere vredesoperatie. Maar om het gestelde doel te bereiken is meer nodig. Resoluties zijn gewillig, aan zichzelf overgelaten zijn zij krachteloos.

De conflicten waarmee de VN zich doorgaans zien geconfronteerd worden bepaald door dodelijke haat, onbegrensde machtswellust en misdadige eigenzinnigheid. Agitatoren misbruiken cultuur en geschiedenis om massa's tegen elkaar op te zetten, potentaten schuwen geen middel om een bevolking er onder te houden. Dergelijke lieden hebben respect voor goede woorden, voor mensenlevens noch voor maatschappelijk welzijn. Van Mierlo zei: “Handenwringen zal ons niet ontheffen van onze verantwoordelijkheid in een situatie van genocide.” Alsof het de laatste tijd eigenlijk bij handenwringen was gebleven.