Schaakmusical Chess: zielloos bedenksel, fraaie toneelbeelden

Voorstelling: Chess, musical van Tim Rice, Benny Andersson en Björn Ulvaeus, door het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. Vertaling: Koen van Dijk. Spelers: Hilde Norga, Addo Kruizinga, Hans Peter Janssens, e.a. Decor: Jens Hager. Muziek o.l.v. Max Smeets. Regie: André Ernotte. Gezien: 26/9 in Theater aan de Parade, Den Bosch. Nederlandse toernee t/m 22/1.

Chess, de musical waarin de internationale schaakcompetitie model staat voor leven en liefde, dateert uit 1984 en toen zag de wereld er nog heel anders uit. De wedkamp tussen een Russische en een Amerikaanse grootmeester was weinig minder dan een kleine koude oorlog, te vergelijken met de grote, en men kon er dan ook moeiteloos een verhaal bij bedenken met commerciële versus politieke belangen, overlopers en liefde met een ijzeren gordijn ertussen.

Nu de succesvolle musical-afdeling van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen er dit seizoen een Nederlandstalige versie van heeft gemaakt, staan de zaken er geheel anders voor. Het was nog maar zo kort geleden - en toch is het nu al moeilijk mee te leven met de wederzijdse grimmigheid die volop in de show was verwerkt. De geoliede “Russische machine”, die hier nog luidkeels door de schaakdelegatie van de Sowjet Unie wordt bezongen, bestaat niet meer. En de agressie van de Amerikaanse schaker jegens “de rooien” doet nu zelfs geëxalteerd aan. Daar kan niemand iets aan doen.

Chess was het resultaat van de samenwerking tussen Tim Rice, Benny Andersson en Björn Ulvaeus, drie goudhaantjes van wie de eerste een paar kassuccessen met Andrew Lloyd Webber had geschreven en de andere twee alle Abba-hits op hun naam hadden staan. Hun originele Londense versie heb ik nooit gezien. Ik ken alleen, als miljoenen anderen, de twee hits uit de show: A night in Bangkok en het melodieuze duet I know him so well.

Voor zover de complete musical op basis van deze produktie te beoordelen valt, maakt die echter een uiterst middelmatige indruk. De karakters hebben nauwelijks contouren, de verwikkelingen komen traag op gang, en als het drama zich tenslotte toch nog verdicht, zijn de plot-wendingen hoogst abrupt. De Amerikaan is een egocentrische driftkop wiens opwinding in het script geen enkele logische verklaring krijgt, terwijl de Rus alleen maar het prototype is van een nette, onopvallende man. Tussen hen in staat de vrouw, die eerst de vriendin van de Amerikaan is en later van de Rus, eveneens zonder veel reliëf. Waarom ze zo lang bij haar eerste vriend bleef, is onduidelijk. En waarom ze die ander kiest, eigenlijk ook. Daarbij klinken in de muziek van het Abba-duo, met haar symfonische pretenties en cliché-rock, voornamelijk Lloyd Webber-echo's op.

Het is, kortom, een zielloos bedenksel dat door het Koninklijk Ballet van Vlaanderen wordt vertoond in fraaie, sobere toneelbeelden. Van de drie hoofdrollen valt vooral Hilde Norga als de vriendin op; zij beschikt over de vocale expressie die van een musical-vedette wordt gevergd. Haar tegenspelers, Addo Kruizinga en Hans Peter Janssens, leven zich uit in pathetische stemverheffing, maar blijven goeddeels onverstaanbaar - een euvel dat ook de rest van het strak geënsceneerde ensemble teistert. De twee hits zijn door Cyrano-auteur Koen van Dijk vindingrijk vertaald. Elders is hij echter, voor zover ik het verstond, blijven steken in te cryptisch uitgevallen knutselwerk.

Doorgaans slaagt het gezelschap erin musicals te kiezen waarmee eer kan worden ingelegd. Ditmaal is dat, vrees ik, niet gelukt.