Prrrrrrrrrrrrrrt

In de jaren vijftig kwam er een technische vinding op de markt die het dagelijks leven van tallozen een nieuwe dimensie gaf. Plotseling was het mogelijk de wereld te verkennen terwijl je rustig kon blijven zitten.

Natuurlijk: het eitje. Het hulpmotortje met zijn eivormige tank. Je zette het op het voorwiel van je fiets. Een ronddraaiende rol dreef de voorband aan en kijk eens aan: je trapfiets was een bromfiets.

Het eitje is bedacht door Bernhard Neumann, Rinus Bruynzeel en Nico Groenendijk. Ze zetten de eerste twee letters van elke voornaam achter elkaar en toen had je Berini. De rest is brommergeschiedenis. Van het eitje werden er ruim 100.000 verkocht en later kwamen er ook zware Berini's, zoals de M21 en de M23. De finesse en eenvoud van het eitje is nooit meer geëvenaard.

Een paar weken geleden lag daar opeens een eitje, op een tweewielerbeurs. Het was zo vies en vet, het lag er zo alleen. Wat moest dat eitje kosten? Dat viel niet mee. Maar wat is driehonderd gulden als het om een pareltje van Nederlandse ingenieurskunst gaat? Het eitje paste in een plastic draagtas en meer dan een kilo of zes woog het niet.

Thuis was er nog een oude fiets. Hij was zwart, met biezen die eens van goud waren. Op die fiets had een oude vrouw in Friesland honderden kilometers tegen de wind in getrapt. Op die fiets werd het eitje gezet. Het was een kwestie van het vastmaken van een beugel, en het monteren van twee hendels op het stuur; een voor het gas, en een waarmee het motortje van het wiel werd gelicht.

We goten een litertje benzine in het eitje. We fietsten de straat in en lieten het motortje op het wiel zakken. Dat bracht een zacht gemurmel teweeg, maar aanslaan, nee. Het was misschien wel veertig jaar geleden dat ie gelopen had, en hoe dat moest, dat wist het motortje niet meer. Toen, bij de laatste bocht schoot het hem weer te binnen. Er klonk een plofje, nog een, en toen prrrrrrrrt!. We hielden onze benen stil en toch reden we! Voortaan hoefden we alleen nog maar te sturen. Het eitje glom van trots, en de fiets wist niet wat hem overkwam.

Ze zijn nu aan elkaar gewend, het eitje en de fiets. We zijn al naar Abcoude geweest, en naar Weesp. We hebben al dertig kilometer afgelegd en dat heeft nog geen halve liter benzine gekost. Overal blijven oudere mensen staan en zeggen tegen elkaar: “Hé, een eitje.” Jongere mensen willen weten wat het is, en waar je het kunt kopen. En als we wel eens een moderne brommer tegenkomen, en we zien al dat plaatwerk, die rammelende kettingen en we horen dat kabaal, dan halen we onze neus op. We wijzen naar ons voorwiel en roepen: “Zó had de brommer moeten blijven.” Soms roepen die brommerrijders nog wat terug, maar hun argumenten snijden zelden hout.