Lezers in de Gouden Eeuw

Ik heb wel eens gedroomd dat ik een oude Egyptenaar was en met een papyrus voor mijn neus hierogliefen zat te lezen. En begreep. Want in mijn droom was er geen verschil met het alledaagse lezen, dat nooit figureert in mijn dromen.

Een heel klein kind, in het voorwoordelijk stadium, begrijpt net zo weinig als een poes van iemand die met een voorwerp van papier in de weer is. Of liever: niet in de weer is. Juist die vreemde uiterlijke onbewogenheid van de lezer, op wiens gezicht zijn zuiver innerlijke beeld- en begripsvormingen niet gereflecteerd worden, is immers het kenmerkende. De lezer heeft geen uiterlijk, om zo te zeggen. Alleen al daarom zijn schilderijen en foto's van lezers altijd meteen geheimzinnig.

En dat terwijl geen enkele lectuur op enige andere lijkt. Net zo min als een stad dat doet, een landschap, of een persoon. Dat denken we alleen maar als ze vervaagd zijn. Pas vanuit de vervaging kunnen we onze vergelijkingen maken.

Er zijn vele soorten van lezen. Niets kan later ooit nog op tegen het lezen van het kind dat men geweest moet zijn: het volstrekt toegewijde lezen, met onverdeelde aandacht, van de meest uiteenlopende soorten boeken. Boeken voor kinderen en voor volwassenen; biografieen en avonturen; naverteld of oorspronkelijk; tweedehands, nieuw, geleend; wetenschappelijk zowel als populair wetenschappelijk; bloemlezingen, encyclopedieen, plaatjesboeken; uit je vaders kast, uit bibliotheken, van jouzelf.

Wat een enorme waarde hadden al die boeken stuk voor stuk in jouw ogen. En dat alles tuimelde dwars door elkaar jouw hoofd in en ging daar de vreemdste verbindingen aan. Of juist helemaal niet. Hoe ik als kind las, ja, wat zou ik dat graag weten.

Maar hoe ik nu lees, voor mijn genoegen of min of meer beroepsmatig, is misschien geen kleiner mysterie. Er zijn vele soorten van lezen _ het lezen in bad en in bed, op de grond liggend (op de buik), in verschillende soorten stoelen, ellebogen op tafel, wandelend, hangend aan een lus in een bus, en lezend vervoerd worden per trein en per auto. Speelde mijn leven zich maar wat vaker in internationale treinen af; daar is het misschien wel 't allerbeste.

Een flink verschil kan het maken of je voor jezelf leest (wie dat dan ook mag zijn), of in de een of andere hoedanigheid waar je geen nee tegen gezegd hebt. Als lid van een jury, die een afzonderlijk boek in een of ander genre moet voordragen, of een debuut, of een oeuvre, of een beste boek van een jaar. Als redacteur van een tijdschrift: past dit bij ons? Willen wij dit wel? Of als redacteur van een uitgeverij: kan dit wat worden? Zou een gesprek zin hebben?

Of zoals de afgelopen anderhalve week, toen ik met krakend hoofd een stuk of veertig vertaalde kinderboeken las. Niet om er een te bekronen maar om een gematigd en rechtvaardig oordeel uit te spreken over de kwaliteit van zowel het oorspronkelijk als de vertaling. Voor de een of andere nobele instelling die zich op dat gebied beijvert. Ik heb het wel vaker gedaan, zulk lezen. Zo'n hap uit de literaire produktie van een jaar (het kan alles zijn, poezie, proza, essayistiek, Nederlands en vertaald) neem ik als het weer eens gevraagd wordt met plezier. Ben ik weer op de hoogte; en van wat huiswerk wordt een mens niet slechter.

Maar goed, dit najaar had ik wat erg veel op mijn bord. Ik las en las. Tot mijn geruststelling was het nog altijd mogelijk tegen mezelf in te lezen. Dan begon ik, voelde al mijn stekels overeind komen, schreef op een kladblokvelletje alvast: “Weer zo een van het genre tof en jofel _ joelend boek”, en baande me een weg door de duizenden woorden, om vaak genoeg langzamerhand van mening te veranderen en tot mijn verrassing een boek erg goed te zijn gaan vinden, per saldo.

Maar toch: wat een mens in vredesnaam uitspookt, al lezend, wat zijn ogen doen, wat er gebeurt in de cortex, in hart, buik en ruggegraat? Geen flauw idee. Krijgt de wereldbeschouwing een verfje? Verstevigt zich een al sluimerende twijfel? Gaat de bijl in een restje vooroordeel? Komt de scepticus zegevierender dan ooit terug van alle slagvelden? Het blijft een raadsel.

Om mijzelf te belonen voor het klaren van de klus kocht ik, toen ik weer boven water kwam na veertig kinderboeken, het boek Leselust. Dat reisde al een poos in mijn achterhoofd mee. Al vanaf de gelijknamige tentoonstelling, gehouden in Frankfurt; toen de Nederlandse literatuur aldaar het Schwerpunkt vormde. Het is een schitterend boek over lezers, boeken en schrijfwaren in de Gouden Eeuw, voorzover voorkomend op schilderijen. Met een keur van artikelen van diverse Duitse en Nederlandse kunsthistorische en literatuurhistorische handen.

Dit boek gaat op de standaard. De komende tijd zal ik er vaak voor gaan staan om dit of dat schilderij te bekijken en erover te lezen. Anders dan de ondertitel, “Niederlaendische Malerei von Rembrandt bis Vermeer” doet vermoeden treft men er gelukkig vele zogenaamde kleinere meesters in aan. Ik kijk naar een briefschrijvende officier met trompetter, naar een wijdbeense pijproker die met zijn elleboog naar een foliant wijst, naar de lezende oude vrouw van Dou, naar een Duitse prins die iets aangewezen krijgt in een boek door een bebaarde man Dou. En naar, ook van Dou, het stilleven met zandloper. En naar een drinkende dame met een brief, van Gerard Ter Borch, die hangt in Helsinki. Toch eens naar Helsinki? Maar Gerard Ter Borch spant de kroon, als het om lezers en schrijvers gaat. 'De lezer' hangt in Schwerin. De lichtbron op dit schilderij is, zoals op de meeste, een mysterie. Het lijkt wel of het 't boek zelf is dat het licht verspreidt; licht dat weerkaatst wordt op het aandachtige gezicht van de lezer. Onhoorbaar adem ik het geluk in, want de lezer maakt geen geluid. Zacht sla ik bladzijden om. Ik ben op reis en kom niet van mijn plaats; ik word beschenen en hoef maar te kijken.