Labour bevrijdt zich van sociale geloofsartikelen

LONDEN, 28 SEPT. De Britse Labour Party bevrijdt zich van de laatste geloofsartikelen uit het socialistisch handvest en omhelst de markteconomie. Tony Blair, de jeugdige Labourleider die een directe bedreiging voor John Major is, heeft een radicale breuk aangekondigd met de manier waarop Labour sinds de Tweede Wereldoorlog zijn economisch beleid formuleerde en heeft tegelijkertijd gepoogd het etiket van “de partij van de hoge belastingen” op de Conservatieve Partij te plakken. Blairs initiatief heeft tot onrust geleid op de uiterste linkervleugel van Labour, maar heeft ook de Conservatieven verontrust, die vrezen dat Blair opnieuw met succes tracht te opereren op wat traditioneel Conservatief gebied heet te zijn.

In de aanzet tot het partijcongres van Labour, volgende week in Blackpool, kondigde Blair gisteren aan dat het imago van “Tax, spend and borrow” - een Labourregering die hoog belast en veel leent om ongecontroleerd te kunnen uitgeven - wordt vervangen door een beleid waarin een sociaal-democratische regering “hand in hand met het bedrijfsleven” “non-inflatoire groei” zal nastreven.

In een toespraak, die later werd aangescherpt door Labours schaduw-minister van financiën Gordon Brown verwierp Blair het verwijt dat Labour middenklasse-kiezers tracht te winnen door het aanvaarden van “rechtse” economische principes.

“Het antwoord op onze problemen is niet een rechtse economische aanpak , gepaard gaand aan links maatschappelijk meegevoel. Het antwoord is een volstrekt nieuwe, links van het midden gecentreerde economische visie”, aldus Blair. En onder impliciete verwijzing naar zijn hechte contacten met het Clinton-kamp in de Verenigde Staten definieerde hij de verschillen in aanpak die een Labour-regering zou demonstreren: erkenning van de noodzaak dat de overheid een rol moet spelen bij het creëren van investeringen in het bedrijfsleven en in onderwijs en scholing, erkenning van het belang van investering in “menselijk kapitaal” in de werkomgeving, erkenning van de legitimiteit van overheidsuitgaven ten behoeven van economisch herstel, erkenning van de noodzaak van een partnerschap tussen publieke en particuliere sector en erkenning van de effectiviteit van demand management op internationale schaal.

Gordon Brown zei later dat het gedaan is met “de oude Labour-taal van belasten, uitgeven en lenen, van nationalisering, van planning door de staat, van isolationisme, van volledige werkgelegenheid - een levenlang - voor mannen, terwijl vrouwen thuis blijven. Dergelijke taal is net zo ontoereikend voor de eisen van de toekomst als hij is voor de noden van het verleden.”

Noch Blair noch Brown gaf inzicht in de hoogte van de belastingtarieven die een Labour-regering denkt te hanteren, noch definieerden zij precies hoe zij investeringen denken te stimuleren. Die omstandigheid was voor Conservatieve bewindslieden aanleiding de uitspraken meteen als “gezwets” af te doen. Toch zien de Tories de populariteit van Labour in de opiniepeilingen met zorg aan. Van dat andere traditionele Tory-territorium, dat van orde en gezag, heeft Blair al vóór zijn verkiezing als leider grote stukken afgeknabbeld, door erop te wijzen dat steeds maar meer sancties - de oplossing van de Conservatieve minister van justitie, Michael Howard - niet genoeg zijn, als er niet tevens aandacht is voor de oorzaken van crimineel gedrag.

Labours eigen linkervleugel is onaangenaam verrast door de manier waarop Blair bereid lijkt dierbare verworvenheden te dumpen. De partij staat aan de vooravond van een twaalf maanden in beslag nemend debat over het economische beleid dat Labour in 1995 aan de kiezers zal moeten presenteren. Nu al zijn er tekenen dat uiterst links volgende week zal proberen de Labour-leiding te dwingen tot verplichte uitgaven voor sociale en welzijnsvoorzieningen, mocht zij er straks na 26 jaar opponeren “in de wildernis” in slagen het roer van de Conservatieven over te nemen.