Jessye Norman gaat door de knieën, publiek nauwelijks

Recital: Jessye Norman (sopraan); Geoffrey Parsons (piano); Marieke Schneemann (fluit) en Quirine Viersen (cello). Programma: J. Haydn: Scene di Berenice; R. Strauss en M. Ravel: liederen. Gehoord: 27/9 Concertgebouw Amsterdam.

Voor de vierde keer sinds 1987 gaf de Amerikaanse sopraan Jessye Norman gisteravond een recital in het Amsterdamse Concertgebouw. Het succes leek enorm: nog tijdens haar optreden kreeg zij verschillende keren vanuit de zaal bloemen aangeboden. Al voor het recital ten einde was, stond het publiek massaal op. Maar dat kwam vooral omdat men niet in de gaten had dat er aan het officiële programma twee liederen waren toegevoegd. Na afloop duurde de bijval bijna twintig minuten, inclusief de twee toegiften die Norman zong.

Het succes was echter niet half zo groot als zeven jaar geleden. Toen was er drie kwartier ovationeel applaus en zong Norman vier toegiften. Aan meer dan twee leek nu niemand behoefte te hebben, sommigen wilden er zelfs niet één horen en verlieten om zeven minuten over tien al snel de zaal. Alsof ze niet geweldig gezongen had, alsof het leukste van een recital niet de toegiften zijn, alsof Norman niet geneigd is haar publiek te verwennen als het daarom vraagt, alsof de toegiften (Habe Dank van Strauss en de Habanera van Ravel) geen bijzondere belevenissen waren, alsof men geen waar wilde voor zijn geld (losse kaarten: ƒ 125,-), alsof ze daar elke week staat, alsof Jessye Norman geen unieke en absolute wereldster is.

Het recital was inderdaad typisch Norman. Ze begon met de lange Scena di Berenice van Haydn - gebracht met een breed uitwaaierende dramatiek van felle uithalen tot pianissimo verzuchtingen. Coloratuurpassages klonken ietwat geforceerd, de trillers gingen veel beter. Verbazingwekkend waren crescendi die eindigden in pianissimi. Stilistisch kon men wel aanmerkingen maken en niet alleen vanwege de forse pianobegeleiding. Maar die overwegingen tellen hier niet. Natuurlijk trekt Norman de stijl naar zich toe, grote sterren doen het bij uitstek op hun eigen manier, daar komen we ook voor.

De vijf Straussliederen brachten telkens afwisseling tussen hoog oplaaiende voluminueuze uitbundigheid en pure eindeloos verstilde ingetogenheid. Zo bloeide Seitdem dein Aug in meines schaute onmiddellijk kleurig en lyrisch op en klonk Ich trage meine Minne met introverte, intieme verwondering in soms vervoerend fraaie vibratoloze hoge noten. De laatste bevielen mij het allerbest en prachtig waren ook de in Heimliche Aufforderung eerder fluisterend gesproken dan gezongen slotwoorden Ersehnte Nacht!, waarmee Norman het eerste deel van haar recital besloot.

Na de pauze klonk uitsluitend Ravel: eerst de aansprekende Cinq mélodies populaires grècques, exquise folkloristisch-exotische miniatuurtjes, waarvan het Chanson des cueilleuses de lentisques wel heel etherisch en languissant was. De drie Chansons madécasses, geplaatst in het nog exotischer Madegascar, kregen een imponerende uitvoering: variërend van verheven exaltatie via heftige maar uiteindelijk bedwongen emoties tot de geraffineerd voorgewende voluptueuze luchtigheid, die eindigt met 'Kom, ga het eten klaarmaken'.

Begeleid door pianist Geoffrey Parsons en de geïnspireerd spelende fluitiste Marieke Schneemann en celliste Quirine Viersen, brengt Norman zo'n mini-cyclus als een complete opera: ze acteert alles met haar houding, gebaar, gezichtsexpressie èn ook nog met haar stem.

Twee Hebreeuwse Ravel-liederen besloten het programma: het quasi-diepzinnige Lénigme éternelle ('De eeuwige vraag is tralalala en het eeuwige antwoord is tralalala') en Kaddisch, het joodse gebed dat Norman hier zong met bezwerende kracht alsof ze een hogepriesteres was uit oudtestamentische tijden.

De toegift Habe Dank zong Norman vooral voor het publiek dat het overvolle podium tot vlakbij de piano bevolkte. En in de fantastisch gezongen Habanera was Norman een zwoele, sensuele danseres, wellustig door de knieën gaand, aanhalig uit op de gunst van het publiek dat het toen wel welletjes vond.