De onbeheersbaarheid van het strikt alledaagse

Kinderspiele. Regie: Wolfgang Becker. Met: Jonas Kipp, Burghart Klaussner, Angelika Bartsch. Cinecenter, Amsterdam.

Zoals in literatuur het wit tussen de regels een ongeschreven verhaal kan vertellen, zo kan een filmer het onzichtbare tonen. Suggestie is het goede woord niet, het is zoiets als sfeer, adem, magie misschien wel. Met Kinderspiele levert de Duitse regisseur Wolfgang Becker een staaltje van een resultaat dat meer is dan de som der delen. In het scenario heeft vast gestaan, dat de film zich zou moeten afspelen ergens op de grens van de jaren vijftig en zestig. Misschien hebben Becker en zijn mede-scenarist Horst Sczerba ook nog concrete aanwijzingen gegeven voor de aankleding - een enkel oud model Mercedes, een tv-antenne op het dak, mode uit die tijd - maar heel veel gedetailleerder kunnen hun papieren voornemens niet geweest zijn.

Want zelfs nu de film gemaakt is, blijft onduidelijk hoe hij zo onmiskenbaar over het na-oorlogse Duitsland kan gaan. Over het Wirtschaftswunder en wederopbouw, over verdringing en de daarmee gepaard gaande ontzieling, over spanning en benauwenis, schuld en stilzwijgen, over niet-omzien en een schril soort onbevangenheid tegenover het nieuwe begin. Er hangt geschiedenis in de lucht.

Misschien profiteert Becker van collectieve kennis en wordt zijn film vervolmaakt door de blik van de wetende kijker. Zo'n soort chemische reactie moet het haast wel zijn, want al dat toch zo heftig aanwezige is zintuiglijk niet waarneembaar. Kinderspiele vertelt het verhaal van Micha, een 12-, 13-jarige jongen, die het goed doet op school en na de zomer naar het gymnasium gaat. Die zomer is belangrijk: dat is die lege, in het geheugen altijd zinderend hete periode van vroeger, de tijd van ontdekkingen, van landerigheid, van spelletjes in de avondschemer, van geborgen zorgeloosheid. De zomer maakt een kind kind.

Zo niet Micha, dat wil zeggen, niet helemaal. Enerzijds is er gelukkig Kalli, een wat rijpere zittenblijver, die Micha inwijdt in de wereld van de vroege puber. Hij verleidt en imponeert met niet helemaal gevaarloze spelletjes, net te baldadige treiterkopperij, met een wedstrijdje vér-piesen, het heimelijke begluren van een minnekozend stel, net twintig waarschijnlijk, maar lichtjaren ouder. Anderzijds echter is er het ouderlijk huis, dat zich aan een kinderzomer niets gelegen laat liggen. Vader en moeder maken ruzie, en de eerste heeft bovendien losse handen en een kop vol frustraties. Moeder ziet meer in haar jongste kind - dat Micha voor die voorliefde betalen laat door het op stang te jagen.

Halverwege de film vertrekt zijn moeder, met medeneming van haar oogappel. Micha fungeert vanaf dat moment als trait d'union tussen twee onwillige volwassenen die met iedere nieuwe koeriersdienst minder op zijn liefde kunnen rekenen. Toch is het niet daarom dat de afloop fataal is, of niet alleen daarom. De onbezonnenheid van de puber die Micha aan het worden is, speelt er een rol in, en stom ongeluk en wrok en wanhoop over de oplosbaarheid van een probleem dat het zijne niet is. Becker bundelt alle uitgezette lijnen aan het slot, zonder evenwel nadrukkelijk of literair te worden. Zijn fataliteit is niet van de onontkoombare soort, Kinderspiele is geen tragedie.

De afloop had er kunnen zijn zonder het voorgaande en dat maakt Beckers film vreemd genoeg eens zo bewonderenswaardig. Er is geen hermetisch, rond verhaal: ook in inhoudelijk opzicht is de film sfeertekening. Hij deed me denken aan Blue remembered hills, van de onlangs overleden Britse dramaschrijver Dennis Potter. Hoewel daarin wreed kinderspel wel degelijk ontaardt, is er dezelfde notie van de uit de hand gelopen streek en van onopzettelijkheid. Net als in Kinderspiele gaat het om de onbeheersbaarheid van het strikt alledaagse: een minstens even beklemmend verschijnsel als door Griekse goden ingeblazen fatale hartstochten.

Anders dan Potter die zijn kinderen door volwassenen liet spelen, gelooft Becker in de acteerkwaliteiten van kinderen. Terecht, Jonas Kipp vertolkt de Micha-rol met verve; hij blijft op afstand, verhult meer dan hij toont, maar slaagt er toch in de geleidelijke ontwikkeling van personage zichtbaar te maken. Dezelfde kwaliteit heeft Angelika Bartsch, die de moeder speelt. Zij laat een kind in de steek, maar ontaard is ze niet. Daarvoor is ze te raadselachtig, juist door ingetogenheid suggereert ze dat er motieven zijn die we niet kennen. Beide vertolkingen symboliseren de sfeer van de film. Kinderspiele is zo verontrustend gewoon. De film is een momentopname uit gewone mensenlevens, met gewone details en gewone wreveligheden. Het angstaanjagende nu is, dat Becker laat zien dat het vandaag nog met ieder van ons faliekant mis kan lopen.