Suïcide gaat hand in hand met geluk

Voor Abraham Kuyper was de wereld nog doorzichtig. Hij was in staat het zedelijk peil van een natie vast te stellen. In Om de oude Wereldzee, het verslag van de wereldreis die hij ondernam na de val van zijn kabinet in 1905, is het percentage onechte geboorten de index voor het moreel niveau van een land: “Ook het zedelijk leven wijst bedenkelijke cijfers aan. In de steden 15 procent onechte geboorten, en over heel het land nog altoos 9 procent, waar 't bij ons de 2 1/2 procent nog niet bereikt heeft. Op het platteland is de toestand veel beter, maar vooral te Bucharest sloop veel Fransche losheid in...”

Is de World Health Organization even naïef bezig als zij van alle landen zelfmoordcijfers vergaart? Zelfs als de cijfers minstens in hun tendens betrouwbaar zijn, blijft de vraag open wat ze eigenlijk zeggen. Zo neemt in alle westerse landen het percentage zelfmoorden gestaag af: wordt het westen gelukkiger?

Deze 'gelukkige' ontwikkeling bedreigt potentieel de bestaansgrond van de 'suïcidologen', maar het lijkt het vertrouwen in de zin van hun specialisme niet te ondermijnen, zoals onlangs in Cork bleek. Psychiaters, therapeuten, psychologen, sociologen, biologen, lijkschouwers en andere deskundigen waren er bijeen voor een Paneuropees wetenschappelijk gelag - het Fifth European Symposium on Suïcide. Ik mocht erbij zijn als oudhistorische witte raaf. Omdat ik een boek over zelfdoding in de oudheid heb geschreven, mocht ik op de laatste zitting voor enige beschaafde afleiding zorgen: aan het hof van de 'science' is de alfa altijd nog goed als nar.

Deze betrekkelijke buitenstaander kon zich vrijblijvend overgeven aan observatie en mijmeringen. Geheel volgens de malicieuze verwachting kwamen veel onderzoekers en therapeuten niet uit boven het 'readen' van 'papers'. Wat is het toch verschrikkelijk dat velen - zelfs academische docenten - niet in de gaten hebben dat een voordracht wezenlijk iets anders is dan het voorlezen van een wetenschappelijk artikel. Dan deed 'onze eigen' René Diekstra uit Leiden het beter, maar zijn betoog werd in de wandelgangen afgedaan als een show.

Het was natuurlijk niet alleen de povere presentatie die deze argeloze classicus verbijsterde. De vele uren natuurwetenschappen op school blijken geen blijvende sporen in het brein te hebben getrokken. De statistische en biologische verhalen bleven daardoor abracadabra. Wel veerde de aandacht op toen werd meegedeeld dat moordenaars en (gewelddadige) zelfmoordenaars een cholesterolgehalte hebben dat lager is dan het gemiddelde. Dit curieuze feit zegt misschien niet meer dan dat suïcidanten 'zichzelf opvreten'. Anderzijds kan men bij de cholesterolbommen die als vleesbergen door Amerika waggelen, zich niet voorstellen dat ze fysiek in staat zijn 'de hand aan zichzelf te slaan'. De worstvingers kunnen nauwelijks een reuzenbeker milkshake vasthouden. Een therapie laat zich ook niet ontwerpen op grond van de postume vaststelling dat zelfmoordenaars een lage cholesterolspiegel hebben: roomboter toedienen aan risicogroepen?

Zelfmoord komt eenvoudig te weinig voor om er werkelijk iets aan te kunnen doen. In dit verband werd een treffende vergelijking gemaakt: zelfdodingen zijn als vulkaanuitbarstingen. We weten dat ze zich met een zekere frequentie voordoen en ook wel waar, maar voorspellen, laat staan voorkomen, kunnen we de erupties niet.

In dat licht is de betekenis van zelfmoordstatistieken maar heel betrekkelijk. Is een gemeenschap zieker dan een andere als zij een hoger zelfmoordquotum heeft? Het ligt voor de hand vergelijkingen te maken: Hongarije, nog steeds de recordhouder, heeft een vier keer zo hoge 'rate' als Nederland. De rekeneenheid hierbij is het aantal gevallen per 100.000 per jaar. De zwartkijker ziet het viervoud, de optimist stelt vast dat per jaar maar liefst 99.952 per 100.000 Magyaren besluiten tot voortleven tegenover 99.988 Nederlanders. Dus Hongarije is hoogstens 99.988 gedeeld door 99.952 zo labiel als Nederland.

De brute cijfers zeggen zo weinig. Het lijkt zo vanzelfsprekend dat - in tegenstelling tot westerse landen - zelfdoding in Oost-Europa toeneemt: de bestaansonzekerheid leidt 'natuurlijk' tot meer suïcide. De inleider sprak van 'decivilisatie', waarbij de zwakken aan hun lot worden overgelaten. En de uitzonderingen Polen en Hongarije, die het dalend patroon van de eerste wereld volgen, lijken ook weer makkelijk verklaarbaar. Maar dan gooit een Russische deskundige roet in het eten door te vertellen dat ondanks de algemeen stijgende quota in zijn land het aantal zelfmoorden onder de oudste generatie juist minder wordt.

Als verklaring werd gesuggereerd dat die Russische oudjes gewoon geen tijd hebben om aan zelfmoord te denken. 's Morgens vroeg gaan ze al op stap om aan goedkoop voedsel te komen. Ze zijn zo in beslag genomen door het overleven dat ze niet aan de zelfgekozen dood denken. Deze uitleg past in de algemene waarneming dat in tijden van revolutie en oorlog zelfdoding afneemt. Het is bekend dat sommige Nederlanders aan het begin van de oorlog al hun psychische stoornissen aan de kant schoven en zich concentreerden op de strijd om het bestaan. Al hun energie werd naar buiten gericht. Maar op - laten we zeggen - 6 mei 1945 stortten zij weer in. Is er een therapeut die ervoor pleit mensen in een risico-groep maar te laten lijden om hen van akelige voornemens af te brengen?

Toch blijft preventie het uitgesproken doel van veel klinisch suïcidologen. Allerlei programma's en interventievormen werden besproken, maar geen ervan kan op een overtuigend succes bogen. Zelfdoding blijft nu eenmaal de meest individuele daad, hoewel begaan binnen een maatschappelijke context. Is uiteindelijk hulp bij zelfdoding niet de beste therapie? Die gedachte kwam bij me op toen de Nederlandse praktijk onderwerp was van een speciaal ingelaste zitting. Het buitenland viel over de Leidse deskundige Ad Kerkhof heen, met hoeveel verve hij het euthaniserende vaderland ook verdedigde.

Snijdt de vergelijking met de vrijlating van abortus hout? Het paradoxale gevolg is immers dat Nederland het laagste percentage vruchtafdrijvingen ter wereld heeft (en de minste teenagerzwangerschappen). De 'vrije' abortus is een onderdeel van een brede strategie van seksuele voorlichting, anticonceptie en hulp aan vrouwen die het ongewilde kind willen uitdragen. Zo moet hulp bij zelfdoding deel zijn van een waaier van zorgverlening: psychische hulp, pijnbestrijding en menswaardige levensomstandigheden voor bejaarden. De zekerheid dat er deskundige hulp zal worden geboden als de kwaliteit van het bestaan verloren is, zou wel eens menig senior ervan kunnen weerhouden voortijdig en op ellendige wijze een einde te maken aan het leven zolang men nog zelf kan.