Ruzie tussen minister en Belgisch leger lijkt gesust

BRUSSEL, 27 SEPT. De Belgische minister van landsverdeding, Leo Delcroix, lijkt er in te zijn geslaagd een sluimerende crisis binnen de legerleiding te bezweren. Na afloop van beraad tussen de bewindsman en de staf-chefs werd gisteren in Brussel een verklaring uitgegeven waarin staat dat iedereen zijn medewerking bevestigt om de hervorming van het Belgische leger tot een goed einde te brengen “ongeacht de problemen waarmee deze omvangrijke operatie gepaard gaat”.

De tegenstellingen binnen de legerleiding kwamen vorige week aan de oppervlakte door de onverwachte aankondiging van generaal-majoor Huwaert, verantwoordelijk voor het personeelsbeleid, dat hij met vervroegd pensioen gaat. Hij nam dat besluit uit onvrede over het eigengereide optreden van zijn directe baas, chef van de generale staf luitenant-generaal José Charlier. Huwaert verwijt de staf-chef dat hij “dictaten van boven” oplegt en dat hij commandeert en controleert, maar nauwelijks communiceert.

Opvallend was dat minister Delcroix vorige week “de openhartigheid en loyaliteit” van Huwaert in het openbaar prees. Hij noemde het vertrek van de generaal een zwaar verlies voor het leger. En tegelijkertijd kwamen er het afgelopen weekeinde uit andere rangen van het Belgische leger adhesiebetuigingen.

Minister Delcroix slaagde er gisteren in om - in ieder geval naar buiten toe - de rijen weer te sluiten. Hij wil voortaan met alle chefs van staven om de tafel gaan zitten voor werkoverleg en de contacten met de legerleiding niet langer uitsluitend laten verlopen via luitenant-generaal Charlier. Dat betekent in feite dat Delcroix zijn greep op de legerleiding verstevigt en dat de machtspositie van Charlier wordt ingeperkt.

Eerder al stonden Delcroix en Charlier tegenover elkaar toen de generaal in een brief aan koning Boudewijn zijn verontrusting kenbaar maakte over de afschaffing van de dienstplicht. Begin dit jaar kondigde Delcroix aan dat militairen voortaan op eigen houtje naar buiten mogen treden met hun opvattingen. Maar, zo stond gisteren in een persverklaring, “deze openheid mag echter niet tot gevolg hebben dat de interne meningsverschillen publiek worden beslecht”.