Partnerpensioen voor ABP-verzekerden

Ongehuwd samenwonende ambtenaren kunnen zich sedert 1 juli 1994 bij het ABP laten registreren voor de toekenning van een partnerpensioen. Hiermee loopt het ABP vooruit op nieuwe wetgeving betreffende het partnerpensioen voor bij het ABP verzekerde ambtenaren. De registratie van het samenwonen geeft na overlijden van de ambtenaar diens partner recht op een nabestaandenpensioen.

Momenteel kent de ABP-wet alleen een weduwen- en weduwnaarpensioen voor het geval de huwelijkspartner komt te overlijden. Door de groei van het aantal ongehuwd samenwonenden kon de regeling van een partnerpensioen niet uitblijven. Begin mei kwam de minister van Binnenlandse Zaken dan ook met de centrales van overheidspersoneel overeen een partnerpensioen in te voeren. Hoewel de wetgeving tot invoering van het partnerpensioen nog niet is voltooid, is het voor ongehuwde ambtenaren toch belangrijk het samenwonen nu al aan te melden, omdat alleen na registratie recht op een partnerpensioen kan ontstaan. Overlijdt de ambtenaar zonder dat registratie van het samenwonen heeft plaatsgevonden, dan heeft de partner geen recht op pensioen.

Het partnerpensioen zal niet voor alle ABP-verzekerden gaan gelden. Volgens de door de minister gemaakte afspraken komen voor het partnerpensioen in aanmerking de bij het ABP verzekerde ambtenaren in actieve dienst, dus de ambtenaren die nu werken. Tevens komen voor partnerpensioen in aanmerking de niet meer actieve ABP-verzekerden jonger dan 65 jaar die functioneel leeftijdontslag hebben gekregen, die invaliditeitspensioen van het ABP ontvangen en die een herplaatsingstoelage of wachtgeld krijgen. Hiernaast gaat het partnerpensioen gelden voor ABP-verzekeren jonger dan 65 jaar die vóór hun ontslag gehuwd waren met de partner waarmee zij thans ongehuwd samenwonen. Alleen deze categorieën van ABP-verzekerden kunnen hun samenwoonrelatie aanmelden. Voor ambtenaren die voor 1 juli jl. met pensioen zijn gegaan of de dienst tussentijds hebben verlaten, zal daarentegen geen partnerpensioen verzekerd worden.

Voor de verzekering van partnerpensioen en de registratie bij het ABP moet aan diverse andere voorwaarden zijn voldaan. Zo geldt de eis dat beide partners 18 jaar of ouder zijn. Vervolgens mogen de partners geen bloedverwant in de rechte lijn van elkaar zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat in geval van samenwonen van ouder en kind of grootouder en kleinkind geen recht op partnerpensioen bestaat. Een andere voorwaarde is dat de partners een kopie van een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst aan het ABP zenden. In plaats van de notariële akte kan ook een verklaring van de notaris dat een dergelijke samenlevingsovereenkomst notarieel is vastgelegd, worden ingezonden. In de overeenkomst moet de verplichting van de partners zijn opgenomen om een bijdrage te leveren in elkaars onderhoud. De partners dienen ten slotte een uittreksel uit het bevolkingsregister over te leggen, waaruit blijkt dat zij beiden ongehuwd zijn en dat zij op hetzelfde adres staan ingeschreven.

Als het partnerpensioen in de ABP-wet zal zijn opgenomen, is het ABP één van de eerste regelingen waarin de wettelijke discriminatie tussen gehuwden en ongehuwden voor het nabestaandenpensioen is opgeheven. Wel is het zo dat heel veel pensioenregelingen in het bedrijfsleven naast het traditionele weduwen- en weduwnaarspensioen ook een partnerpensioen kennen. Deze partnerpensioenregelingen zijn tot ontwikkeling gekomen nadat in 1988 het partnerpensioen via een aanwijzing van de staatssecretaris van Financiën fiscaal werd erkend voor toepassing van de Wet op de Loonbelasting. Bovendien is het partnerpensioen in het bedrijfsleven vanaf 8 juli 1994 onder de beschermende werking van de Pensioen- en spaarfondsenwet gebracht. Dit betekent dat een werkgever het door hem toegezegde partnerpensioen sedertdien moet onderbrengen bij een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij, terwijl een werknemer bij zijn ontslag een premievrij partnerpensioen krijgt, zoals dat al gold voor het weduwen- en weduwnaarpensioen. Een afdwingbaar recht op partnerpensioen biedt dit de werknemer niet. De Pensioen- en spaarfondswet laat op zich toe dat een werkgever wel een weduwen- en weduwnaarspensioen toezegt, maar geen partnerpensioen. Ook de op 1 september jl. in werking getreden Algemene wet gelijke behandeling laat deze discriminatie toe. Hoewel deze wet ongelijke behandeling bij pensioenen verbiedt, is onderscheid in pensioenregelingen op grond van burgerlijke staat uitdrukkelijk toegestaan. Evenmin bestaat recht op partnerpensioen voor ongehuwden samenwonenden uit hoofde van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van internationale verdragen wel beslist dat weduwnaars recht hebben op een AWW-nabestaandenpensioen, ook al regelt de AWW slechts een weduwenpensioen. Het partnerpensioen heeft de Centrale Raad niet onder de werking van de AWW willen brengen, omdat de situatie van ongehuwd samenwonen te zeer verschilt van het gehuwd zijn.

Ondanks de rechtspraak van de Centrale Raad besliste de Rechtbank 's-Gravenhage in juli 1993 dat een ongehuwde partner recht heeft op partnerpensioen ingevolgde de AWW. De Hoge Raad oordeelde in 1993 dat ongelijke beloning alleen op grond van een verschil in huwelijkse staat verboden is. Een procedure loopt over het recht op partnerpensioen voor de man die met een overleden mannelijke werknemer ongehuwd had samengewoond in een situatie dat de pensioenregeling wel een nabestaandenpensioen voor gehuwden kent. Ook is een proefproces gestart om een wezenpensioen in een dergelijke situatie mogelijk te maken. Als argument wordt daarbij genoemd dat het voor personen van gelijk geslacht juridisch onmogelijk is in het huwelijk te treden.

Een uitbreiding van het recht op partnerpensioen via rechtspraak blijft voorlopig de aangewezen weg. Dat zou ook van belang kunnen zijn voor de niet meer actieve ABP-verzekerden, voor wie het wettelijke ABP-partnerpensioen niet gaat gelden.