'Menig bankmedewerker had zitten snurken of een black out gehad. Zij waren vroeg begonnen.' Van den Nieuwenhuyzen voelde 'morele verplichting' inzake HCS

AMSTERDAM, 27 SEPT. Bijna iedereen die iemand is in de HCS-affaire over beurshandel met voorkennis was er gisteren weer, toen het hoger beroep bij het Amsterdamse Gerechtshof in behandeling kwam.

De mannen van de ECD, die het feitenonderzoek deden. De vertegenwoordigers van de beurs, die klaarheid moesten brengen in de ontspruitende affaire. De camarateams van RTL en NOS, die samen bij de rechtbank aan de Parnassusweg arriveerden om daar te horen dat het Hof aan de Prinsengracht zit.

En natuurlijk de morele ondersteuningsbrigades van de verdachten. Aan het eind van de middag keek Gerrit van der Valk, peetvader van de horecaketen die zelf verdacht wordt van financiële fraude, vanaf de balustrade van de publieke tribune neer op zijn schoonzoon Joep van den Nieuwenhuyzen, die een verdieping lager in het verdachtenbankje zat.

Van den Nieuwenhuyzen, de president van het beursfonds Begemann, wordt samen met J. Gerritse, directeur van het toenmalige effectenhuis Suez Kooijman, verdacht van handel met voorkennis op 31 juli 1991 in aandelen HCS, een wankelend automatiseringsbedrijf dat inmiddels failliet is. Van den Nieuwenhuyzen verkocht die dag in samenspraak met twee andere grote beleggers 4,1 miljoen HCS-aandelen. Dit trio en Suez Kooijman werden in april door de rechtbank vrijgesproken. Uit kostenoverwegingen zijn voor het hoger beroep alleen Van den Nieuwenhuyzen en Suez Kooijman opgeroepen. De twee anderen, E. Albada Jelgersma (groothandel Unigro) en L. Melchior (paardenfokker en rentenier), staan langs de zijlijn.

Het legertje advocaten is zodoende gehalveerd. Gisteren waren er vier in toga, terwijl mr. D. Doorenbos, Albada Jelgersma's raadsman, in burger in de zaal zat. Zijn proefschrift lag bij de verdediging naast de dossierstukken op tafel, als stille getuige van zijn expertise in financieel strafrecht.

President mr. H. Willems van het Hof ging uitgebreid in op de gebeurtenissen op 30 en 31 juli, toen de drie beleggers met de banken in allerijl een reddingsplan voor HCS in elkaar timmerden. Van den Nieuwehuyzen en Albada Jelgersma zouden beiden 25 miljoen gulden vers kapitaal op tafel leggen. Na het akkoord op hoofdlijnen in de nacht van de 30ste, belde Van den Nieuwenhuyzen de volgende ochtend om 8.56 uur vanuit Antwerpen Suez Kooijman, zijn vaste effectenkantoor. Daar kreeg hij Gerritse, die waarnam voor Roel Kooijman, Van den Nieuwenhuyzens vaste aanspreekpunt die op vakantie was. Gerritse en Van den Nieuwenhuyzen deden zelden zaken met elkaar. “Onze karakters zijn verschillend”, gaf Van den Nieuwenhuyzen gisteren als verklaring.

Het proces draait om de vraag of tijdens het beraad tussen banken en grote beleggers over de reddingsactie een geheime afspraak is gemaakt over de manier waarop nieuwe aandelen zouden worden geplaatst en de prijs waartegen. De president spande zich gisteren in om Van den Nieuwenhuyzen zoveel mogelijk in een geïsoleerde positie te manoeuvreren. Terwijl de aan het reddingsberaad deelnemende bankmedewerkers deze aandelen buiten de openbare markt om rechtstreeks bij de drie grote beleggers wilden plaatsen - een onderhandse emissie - wilde Van den Nieuwenhuyzen juist een openbare uitgifte.

Dat anderen zich dat later niet konden herinneren lag volgens hem aan het feit dat menige bankmedewerker had zitten “snurken of een black out had gehad. Zij waren vroeg begonnen. Het kan best zijn dat om tien uur het licht uitging”, zei hij met meewarige ondertoon in zijn stem. “Er is maar één bankier die weet hoe het zit, dat is Groenink”. Bestuurder mr. R. Groenink van ABN Amro was bij de bank belast met het HCS-dossier. De inhoud van zijn verklaring bij de ECD wijkt helaas af van die bij de rechter-commissaris die later het gerechtelijk vooronderzoek leidde.

Het leek erop alsof Willems bij zijn “verhoor” van de verdachten de meeste waarde hechtte aan de eerste verklaringen. “Ik zit meer te kijken naar hoe het aanvankelijk door de heren naar voren werd gebracht.” Dat zou slecht kunnen uitpakken voor de verdachten, want in zijn eerste verklaring was Groenink stelliger over de keuze voor een onderhandse plaatsing dan later het geval was. De banken wilden snel geld zien en hadden daarom een voorkeur voor een gemakkelijk te regelen onderhandse aandelenuitgifte.

Volgens Van den Nieuwenhuyzen was hun werkelijke motief heel anders. Zij vreesden een openbare emissie omdat zij dan een prospectus moesten maken en later, als het onverhoopt met HCS verkeerd afliep, aansprakelijk gesteld konden worden. Zelf wilde hij een openbare emissie tegen een lage koers. Dan verwachtte hij aardig wat belangstelling van andere beleggers. En hoe meer animo onder het publiek, des te minder hij zelf kwijt was. Hij wilde uit HCS, ook na de reddingsactie. In zijn perceptie had hij samen met Albada Jelgersma de sterkste onderhandelingspositie omdat zij vers kapitaal in HCS zouden steken.

De banken en de beleggers werden het op de 30ste over de emissievoorwaarden niet eens. “We hadden een agreement to agree”, zoals Van den Nieuwenhuyzen het immer positief samenvatte. Het is typerend voor zijn stijl van zaken doen: nooit voor een gat gevangen zijn, nooit in een dwangpositie terechtkomen, altijd een optie om nog een andere keus te maken. Het overleg over de definitieve beslissing schoven de onderhandelaar door naar vrijdagmiddag. Niet omdat de beleggers dan drie dagen hadden kunnen reageren, vertelde hij gisteren, maar omdat hij vanaf zijn boot dan weer aan wal was en dus telefonisch bereikbaar. Hij was immers op vakantie.

Hij committeerde zich aan de reddingsactie uit een “morele verplichting”, zo hield hij het Hof voor. De drie beleggers hadden zich tegen het eerste reddingsplan van HCS-oprichter drs. J. Kuijten gekeerd. Toen dat mislukte, voelden zij zich verplicht zelf mee te doen. Dat Van den Nieuwenhuyzen daarvoor 25 miljoen op tafel wilde leggen, terwijl zijn aandelenbelang toen nog maar 6 miljoen gulden waard was, hoorde de president met enige verbazing aan. Van den Nieuwenhuyzen deed daar luchtig over. “Ik was vijf jaar bezig en had 400 miljoen gulden verdiend.”

De schijnbaar moeiteloos verworven rijkdom weerspiegelde zijn invloed op dat moment. Hij stond op het hoogtepunt van zijn roem. Als een master of the universe vloog hij die twee dagen van zijn boot bij Sardinië naar Amsterdam voor de HCs-redding, door naar Antwerpen, vandaar naar Wenen voor overnamebesprekingen en terug naar de boot. De redding van HCS was een stap in een continu proces van bedrijven kopen en deals doen. Zijn hulp bij HCS zou hem een volgende keer bij een andere gelegenheid geen windeieren leggen.

Zijn invloed blijkt uit het feit dat juist hij de medewerking van de NMB Postbank aan het reddingsplan moest bewerkstelligen, en niet de bankiers die elkaar op dat moment niet konden luchten of zien. Van den Nieuwenhuyzen deed in onderonsjes met Groenink de werkelijke zaken. Hij wilde een lagere koers en Groenink zei: dan verkoop je toch gewoon een paar miljoen aandelen. Maar dat is voorwetenschap, zei Van den Nieuwenhuyzen.

In de wetenschap dat HCS met een persbericht zou komen over de reddingsactie, zodat iedereen in de markt gelijk was geïnformeerd, voelde Van den Nieuwenhuyzen zich vrij om te handelen. Toen Groenink tegen alle afspraken in de volgende dag de koers van de nieuwe aandelen op 2,50 prikte, was Van den Nieuwenhuyzen onbereikbaar. Reclameren bij Groenink had geen zin meer. “Het enige waar ik aan dacht was hoe wij dat financieel moesten gaan regelen.”

De zaak wordt vervolgd op 29 september.