Internationale misdaden verdienen de doodstraf

De doodstraf is weliswaar een krachtiger vorm van vergelding dan een vrijheidsstraf, maar zij bezit geen fundamenteel ander karakter, zo betogen H.G. Hoogers en A.J.J. de Hoogh.

Onder meer door de zaak-Van Damme is de discussie over de doodstraf weer opgelaaid. Artikel 114 van de Grondwet bepaalt: “De doodstraf kan niet worden opgelegd.” Amnesty International claimt dat de doodstraf wreed is en een schending van fundamentele rechten van de mens oplevert (De doodstraf in geen geval, 1989). Enige nuancering van deze absolute stellingname is wenselijk, mede gezien het feit dat een recente enquete een stijging laat zien van het aantal Nederlanders (nu 43 procent) dat voor de doodstraf is.

Internationaal gezien is de doodstraf toegestaan. Het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten bepaalt dat de doodstraf mogelijk is voor de ernstigste misdrijven (artikel 6, lid 2). Weliswaar bestaat er een aanvullend protocol bij het verdrag dat afschaffing van de doodstraf beoogt, maar dit maakt uitdrukkelijk een uitzondering voor misdrijven begaan in oorlogstijd.

Laten we vooropstellen dat wij niet geloven dat de doodstraf humaner is. We vinden ook dat economische motieven geen rol mogen spelen. Voor wat betreft de functies van de doodstraf erkennen wij dat zij geen afschrikkende werking heeft, hetzelfde geldt echter voor gevangenisstraffen. Een eventueel voordeel van de doodstraf is de onmogelijkheid van recidive; iemand die is geexecuteerd kan nooit meer in herhaling vervallen. Met levenslang kan dit slechts ten dele worden bereikt: te denken valt aan gratiering, vervroegde invrijheidstelling of ontsnapping.

Straffen zijn allereerst middelen van vergelding. Dat geldt voor geldboetes, vrijheidsstraffen en voor de doodstraf. Te zeggen dat de doodstraf uitsluitend een vergeldend effect heeft en daarom een niet-legitieme wijze van strafoplegging zou zijn, is op zichzelf correct, maar gaat aan de kern van de zaak voorbij. Wie tegen vergelding is moet tegen straffen in het algemeen zijn. Strafrechtelijke sancties beogen de dader van een strafbaar feit leed te berokkenen, omdat hij dat anderen heeft berokkend. De doodstraf is, zo bezien, inderdaad een intensievere vorm van vergelding dan een vrijheidsstraf, maar zij bezit geen fundamenteel ander karakter.

In zijn artikel 'De moraal brokkelt af, de doodstraf speelt op' (NRC Handelsblad, 20 september) neemt S.W. Couwenberg ten dele een overeenkomstig standpunt in. Hij constateert, ons inziens terecht, dat de doodstraf in zichzelf geen verwerpelijke straf is. Verwonderlijk is wel dat hij dit _ op zichzelf morele standpunt _ kennelijk op grond van feitelijke overwegingen inneemt; verwonderlijk is ook dat hij meent dat de toepassing van de doodstraf een vorm van 'morele regressie' is. Hoe het een met het ander te verenigen is blijft mistig.

Het aspect van de vergelding leidt tot een ander argument, namelijk dat de doodstraf een schending van fundamentele mensenrechten zou opleveren. Los van de vraag of dit juridisch houdbaar is, gaat ook dit argument aan de kern van de zaak voorbij. Ongetwijfeld is het tenuitvoerbrengen van een doodvonnis een fundamentele inbreuk op het leven; maar evenzeer is een levenslange gevangenisstraf een fundamentele inbreuk op de vrijheid. In feite beogen straffen, gezien hun leedtoevoegende karakter, per definitie rechten sterk te beperken of geheel af te nemen.

Een ander argument dat veelvuldig tegen de doodstraf wordt ingebracht is de onherstelbaarheid ervan. Tot op zekere hoogte is dit argument onjuist. Alle straffen (behalve de boete) zijn namelijk onherstelbaar. Als iemand tien jaar lang in de gevangenis heeft gezeten, kan die tien jaar vrijheidsberoving ook niet ongedaan worden gemaakt. Wel is het natuurlijk zo dat wie in de gevangenis zit kan worden vrijgelaten en gecompenseerd, terwijl hetzelfde niet geldt voor de geexecuteerde. Het argument van (on)herstelbaarheid is echter alleen van belang voor onschuldig veroordeelden. De meeste mensen liggen nu eenmaal niet wakker van het idee dat schuldigen ter dood worden veroordeeld. De ratio van het genoemde argument komt neer op de onmogelijkheid het straffen van onschuldigen te voorkomen.

De wreedheid van de doodstraf wordt ook vaak genoemd. In de wereld van vandaag zijn de volgende executiemethodes gangbaar: dood door ophanging, fusillering, onthoofding, steniging, electrocutie, vergassing en injecties (bron Amnesty International). Er kan weinig twijfel over bestaan dat ophanging, steniging en electrocutie zeer pijnlijk kunnen zijn (mislukkingen nog buiten beschouwing gelaten). Wij zijn echter niet overtuigd van de wreedheid van fusillering, onthoofding, vergassing en injecties. Wat betreft de eerste twee is het meer de bloederigheid die ons tegenstaat. Vergassing is voornamelijk impopulair door de associatie met de gaskamers van de Tweede Wereldoorlog. Executie door dodelijke injecties lijkt ons dan ook, gezien de pijnloosheid, de enige aanvaardbare methode.

De bezwaren tegen het toepassen van de doodstraf op nationaal niveau overtuigen ons niet volledig, maar zij zijn wel sterk. Wij pleiten dan ook niet voor herinvoering in Nederland. Zeker is echter dat de bezwaren minder zwaar wegen bij internationale misdaden. Zo is het risico van het veroordelen van onschuldigen kleiner, aangezien zulke misdaden meestal door regeringsfunctionarissen plaatsvinden. Hun daden staan meer in de bekendheid, met als gevolg een betere documentatie. Het argument van de (on)herstelbaarheid heeft een bittere bijsmaak wanneer wij bijvoorbeeld terugdenken aan de wandaden van 'Keizer' Bokassa. Deze werd tot twee maal toe veroordeeld tot de doodstraf, maar die werd later omgezet in levenslang, 20 jaar en 10 jaar. Na krap acht jaar zitten, loopt hij nu al weer meer dan een jaar vrij rond.

Het is dan ook teleurstellend dat bij het opzetten van het eerste internationale tribunaal na Neurenberg en Tokio, dat inzake Joegoslavie (gevestigd in Den Haag), exclusief is gekozen voor het opleggen van gevangenisstraf. Nog erger is dat dit voorbeeld gevolgd lijkt te gaan worden bij het opzetten van een algemeen internationaal hof ter berechting van misdaden tegen de vrede en veiligheid van de mensheid. Er wordt wel gezegd 'macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut'. Wij zouden daar aan willen toevoegen 'misbruik van macht verdient straf, absoluut misbruik van macht verdient de absolute straf'. Regeringen die het toestaan of actief stimuleren dat misdaden worden begaan, of deze zelfs organiseren (Rwanda), mogen niet vrijuit gaan. Als ultieme sanctie moet de doodstraf voor direct verantwoordelijken mogelijk zijn.