Het verdriet om een zoon van zestien

Als je niet gewend bent zittingen van de kinderrechter te bezoeken, is het wel even schrikken: die jonge, bleke smoeltjes voor een heuse rechter en een bijna nog heusere officier van justitie. De zittingen van de kinderrechter zijn in principe besloten, maar de kinderrechter kan toehoorders toelaten. Zoals op deze grauwe septembermorgen als Gerrie Jansen en Wouter Lorents terecht moeten staan voor de Amsterdamse kinderrechter.

Gerrie is net zestien jaar, hij was vijftien toen hij het delict pleegde. Hij ziet er uit als een reïncarnatie van Ciske de Rat, of beter: Ciske de Rat, gespeeld door Danny de Munck. Een fris, rond gezicht met heldere - het woord is onontkoombaar - 'kijkers'. Een jochie nog, maar wel een heel moeilijk jochie. Wouter maakt, hoewel hij bijna twee jaar ouder is, een gezeglijker indruk. De jongens worden vergezeld door hun ouders, dat wil zeggen: vader en moeder Lorents en moeder Jansen.

Gerrie en Wouter staan terecht voor een ernstig delict: een poging tot een overval op een winkelier. Met een sjaal om hun hoofd gewikkeld, waren ze de winkel binnengestapt. De man had hen onmiddellijk herkend, want de jongens behoorden tot zijn klanten - Wouter had er die morgen nog iets gekocht.

Toen de jongens “Geld!” riepen, dacht de winkelier eerst aan een grap. Totdat hij het alarmpistool in de rechterhand van Wouter zag.

“Hoe kwam je aan dat pistool?” vraagt de kinderrechter, mevrouw mr. B. de Poorter.

“Voor 25 gulden op straat gekocht”, zegt Gerrie.

“Waarom?”

“Voor de hep.”

De kinderrechter vraagt Wouter een demonstratie van zijn handelingen. Wouter laat zien hoe hij zijn arm om het middel van de man sloeg, terwijl hij het pistool bleef vasthouden. Volgens de winkelier duwde Wouter het pistool in zijn hals - iets wat de jongens ontkennen. De man was in ieder geval doodsbang, want wie ziet onder zulke omstandigheden het verschil tussen een gewoon pistool en een alarmpistool?

Er ontstond een worsteling op weg naar de kassa, man en jongen - Gerrie was bij de deur blijven staan - kwamen ten val, waarna de twee jongens er vandoor gingen.

“Die man herkende jullie meteen”, zegt de kinderrechter.

“Ja, heel stom”, beaamt Wouter grif. “Het was van onze kant bluf, omdat er onder vrienden gezegd werd: dat durven jullie niet.”

“Jullie hadden al een tijdje gepraat over die overval?”

“Pas een paar dagen ervoor, niet toen ik het pistool kocht”, zegt Gerrie.

“Hoe is het precies gegaan?”

“Ik weet het niet meer, het is alweer zo lang geleden.” Gerrie zegt het bijna verveeld, alsof hij wel andere dingen aan zijn jonge hoofd heeft.

Over zijn gedrag maken rechter en officier van justitie zich de meeste zorgen. Na hun voorlopige vrijlating - ze zaten na hun arrestatie zo'n zeventig dagen vast - hadden de jongens de plicht in contact te blijven met de reclassering. Gerrie liet zich daar weinig aan gelegen liggen. “Ik vond het belangrijker om werk te zoeken”, zegt hij.

“Ik accepteer dat niet. De officier van justitie vraagt me om jou nu onmiddellijk vast te zetten - wat vind je daarvan?”

“Niet zo leuk.”

De kinderrechter wendt zich tot de moeder van Gerrie. “Wat vindt u ervan, mevrouw?”

Ze snuift nerveus. “Het is allemaal kletskoek wat Gerrie zegt.”

Een meneer van een reclasseringsinstantie zegt: “We zouden een school voor hem regelen, maar hij doet er niks aan. Hij heeft verkeerde vrienden. Hij zal steviger begeleid moeten worden.”

Dan barst de moeder pas goed los: “Het is verschrikkelijk. Ik had gehoopt dat hij een nieuwe kans zou grijpen, maar hij gaat naar bepaalde mooie figuren, komt 's nachts niet thuis of blijft tot twaalf uur uitslapen. Ik ben een stomme moeder, hun generatie weet het allemaal beter.”

“Is het waar?” vraagt de kinderrechter.

“Klein beetje”, zegt Gerrie. “Valt wel mee.”

“Noem eens de namen van je vrienden.”

“Dat zie ik niet zo zitten.”

Terwijl de rechter haar aandacht naar Wouter verplaatst, komen twee parketwachten binnen. Gerries moeder begrijpt het doel van hun komst en barst in tranen uit. Een vriend schiet weg om een glaasje water te halen. Hij is nog net op tijd terug om de officier van justitie, mr. T. van Noord, tegen de jongens te horen zeggen: “Dit is zeer ernstig. Je hebt bescherming van de kinderrechter, anders zou je voor maanden of jaren de bak ingaan. Bij Wouter zie ik een positieve ontwikkeling, maar Gerrie heeft er geen donder van geleerd.” Hij eist tegen beide jongens een tuchtschoolstraf van twintig weken waarvan negen weken voorwaardelijk.

“Gerrie werd al op zijn vierde met een scheiding geconfronteerd”, probeert de advocaat nog manmoedig, “hij is opgevoed door zijn moeder en zijn oudere broer en hij heeft altijd met oudere jongens gespeeld. Dan ga je anders leven.”

De kinderrechter neemt de eis van de officier wat betreft Wouter over, maar bij Gerrie wil ze nog geen uitspraak doen. “Ik houd de zaak voor langer dan een maand aan. Ik wil bij hem eerst de hulpverlening en de ondertoezichtstelling op gang brengen.”

Dat betekent dat de kinderrechter een gezinsvoogd zal benoemen om onder haar leiding toezicht op Gerrie te houden. Ze kijkt Gerrie strak aan. “Het gaat vreselijk slecht met jou. Je gaat nu met de parketpolitie mee voor een weekend op het politiebureau. Daarna zal ik een plaatsje voor je vragen in het Jongeren Opvang Centrum, een Huis van Bewaring voor jongeren van waaruit je naar school kunt.”

Gerrie wordt door de parketwachten weggevoerd. Hij geeft zijn advocaat nog een snel handje, maar zijn huilende moeder bekijkt hij niet meer.

De zitting is voorbij. De kinderrechter zegt tegen de moeder van Gerrie: “Het spijt me dat ik u dit verdriet moet aandoen.”

“Ik begrijp het goed”, zegt de moeder.

“Hij wil een andere begeleider”, zegt de man van de reclassering.

“Die krijgt hij ook”, zegt de kinderrechter, “maar hij houdt mij.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.