Het stille einde van 700 jaar stad

AMSTERDAM. Het krantje viel geruisloos in de bus, en het zou bijna met het oud papier verdwenen zijn als het woordje 'extra editie' er niet boven had gestaan. “Amsterdam heeft in principe gekozen voor een nieuwe provincie”, zo opende het huis-aan-huis blad van de gemeente, en onder het portret van de burgemeester stonden de plannen: samen met zo'n 25 tot 30 gemeenten moet de stad in ruim drie jaar tijd omgesmeed worden tot een stadsprovincie, de meeste deelraden zullen worden omgezet in gemeenten en ook de binnenstad moet een zelfstandige gemeente worden. In een hoekje stond het tijdschema: in oktober behandelt de gemeenteraad de plannen van de stadsprovincie, in maart volgend jaar wordt beslist over het instellen van de nieuwe gemeenten en in de loop van 1995 wordt het dan allemaal wettelijk afgerond. Op 1 januari 1998 moet de provincie Amsterdam een feit zijn.

Het krantje was dus geen extra editie, het was een overval. Verzwegen werd het belangrijkste gevolg van deze hele operatie: dat de stad Amsterdam na ruim zevenhonderd jaar als bestuurlijke identiteit zal worden opgeheven. Met geen woord werd gerept over het feit dat iemand uit de Concertgebouwbuurt over de binnenstad binnenkort niets meer te vertellen heeft dan een bewoner van de Beemster. En nergens in dat hele schema was ook maar een millimeter ruimte gereserveerd voor de simpele vraag: “Hebben de Amsterdamse burgers hier eigenlijk zelf nog iets over te vertellen, of hoe zit dat?”

De instelling van een stadsprovincie heeft onmiskenbaar voordelen. De regio rondom Schiphol en het Noordzeekanaal moet zich instellen op een internationale concurrentieslag, en dat vereist meer dan enkel een los samenwerkingsverband. Ook op het gebied van wegenbouw, openbaar vervoer, planologie en volkshuisvesting is de onderlinge verwevenheid langzamerhand zo groot dat de vorming van een soort supergemeente voor de hand ligt. Bovendien kan de stad Amsterdam ook niet eeuwig blijven opdraaien voor alle theaters, metroverbindingen en andere voorzieningen waarvan de hele regio profiteert.

Maar vanzelfsprekend is de komst van zo'n nieuwe supergemeente nu ook weer niet. Bijna alle grote Europese agglomeraties kennen wel een of ander regionaal bestuur, maar nergens is het bestuur van de stad zelf zo volledig in handen van de regio gelegd als hier. In Londen en Parijs is zelfs het tegendeel gebeurd: daar valt het gezag over de hoofdstad min of meer rechtstreeks onder de regering. Het is de vraag of zo'n overleggerige structuur als het Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) voldoende dynamiek kan opbrengen om een weerbarstige stad als Amsterdam nog werkelijk te sturen. Een stad of een dorp is nu eenmaal niet alleen een economische, maar ook een sociale, historisch gegroeide eenheid. En dat 'wij'-gevoel kan niet ongestraft losgekoppeld worden van de manier waarop de zaken bestuurlijk zijn georganiseerd.

Nu het uur U nadert weerklinken achter de schermen dan ook steeds meer aarzelende geluiden. Dat heeft met financiële kwesties te maken - Amsterdam kan, als er niets verandert, de komende jaren nogal wat meevallers verwachten via de erfpachten en het gemeentefonds - maar daaronder schuilt ook een vraag van vertrouwen. Over de ROA zijn tussen de deelnemende gemeenten de afgelopen jaren zoveel compromissen gesloten dat er van het oorspronkelijke concept steeds minder is overgebleven. Juist op de punten waar het om zou moeten gaan, de eenheid van beleid en de bestuurskracht, zijn de plannen die nu op tafel liggen inmiddels rijkelijk vaag. De vraag rijst dan ook wat Amsterdam er eigenlijk voor terugkrijgt als het zichzelf opheft.

Wie een regionaal bestuur wil reorganiseren moet dat goed doen, of niet. De prijs van zo'n ingreep is namelijk hoog. Net als bij het opzetten van de deelraden - nog geen tien jaar geleden - zal opnieuw alles overhoop gehaald worden, de ambtenaren zullen weer jaren in een schemerige onzekerheid moeten werken en de directeuren van de diverse gemeentelijke diensten zullen weer de loopgraven in moeten om het eigen territoir te bewaken en nieuwe gebieden te veroveren.

Terwijl de stad een moeilijke fase tegemoet gaat zal een groot deel van de bestuurlijke energie gericht worden op interne kwesties. Nu al zijn de deelraden begonnen met een nieuw soort landje-pik: Westerpark loert op de Noord-Jordaan, Oud-West op de Zuid-Jordaan, de Pijp op een deel van de grachtengordel, Oost op de Plantagebuurt, de zuidelijke deelraden op Teleport en andere onderdelen van de zilveren ring om de stad. En het eindresultaat zal, zoals het er nu uitziet, opnieuw een 'stijve' organisatie zijn: opgezet voor de eeuwigheid, maar in de chaos der tijden vermoedelijk na een kwart eeuw alweer achterhaald, een soort pseudo-zekerheid voor bestuurders die nog altijd niet willen weten dat de negentiende-eeuwse rust voorgoed voorbij is.

De stad Amsterdam wordt dus binnenkort opgeheven zonder dat er een haan naar kraait. De nestor van de stadsjournalisten, Frans Heddema, vroeg zich vorige week in het Parool al af waarom niemand het initiatief nam voor een correctief referendum, waarom er zelfs geen sprankje discussie over werd gevoerd in de stad. “Het volk wil maar niet kwaad worden”, schreef hij letterlijk. Het antwoord is eenvoudig: dat komt omdat het volk het niet weet. En degenen die het weten vinden het wel zo rustig om het zo te laten, omdat het al lastig genoeg was om al die grote en kleine gemeentelijke ego's op één lijn te krijgen.

De ROA is een typisch produkt van wat Marc Chavannes afgelopen zaterdag in deze krant aanduidde als 'scharniergezelschappen': de gladde besluitvormingsindustrie die dienstbaar doet en die alle beslissingen weet te presenteren als objectief, gedepolitiseerd en onvermijdelijk. Het is een macht die ondertussen nauwelijks meer ruimte laat voor zelfs de minste van de democratische grondrechten: het grondrecht om aan een idee te wennen en erop te kankeren. Voor iedere parkeerhaven wordt in deze stad een inspraakronde georganiseerd, maar deze operatie, die de omgang tussen burgers, bedrijven, organisaties en stedelijke overheid fundamenteel zal veranderen, is tot nu toe voornamelijk behandeld als een interne, technische kwestie. Het gevolg is dat de doorsnee Amsterdammer hooguit weet dat er gepraat wordt over een stadsprovincie, maar dat vrijwel niemand zich realiseert dat de feitelijke beslissing vermoedelijk al over enkele weken valt, en dat binnen dat tijdschema geen enkele ruimte meer is voor welke publieke discussie dan ook.

Zelfs in de middeleeuwen zou de Amsterdamse vroedschap het niet gewaagd hebben om op zo'n zwakke basis een dergelijke ingrijpende beslissing te nemen. Maar in deze tijd moet blijkbaar meer gebeuren om de laatste citoyens wakker te schudden.