Gezamenlijke viering hoeft een traditionele samenkomst niet uit te sluiten; Betrek Duitsland bij 5 mei-viering

Vooroordelen die onder Nederlanders over Duitsers bestaan, mogen geen reden zijn vertegenwoordigers van het nieuwe Duitsland bij herdenkingen en vieringen uit te sluiten. Naast de traditionele bijeenkomsten zonder Duitsers moet er plaats zijn voor een alternatieve gezamenlijke herdenking, vindt Ronny Naftaniel.

Tot de bezoekers van Yad Vashem, het Holocaust Museum in Jeruzalem, behoren vele jonge Duitsers. Het is een traditie dat iedere Duitse politicus die Israel bezoekt een krans legt in de centrale hal van het museum. De hoge gasten worden vergezeld door Israelische gidsen en politici, die soms zelf de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. De praktijk van Yad Vashem laat zien dat het in beginsel mogelijk is samen met Duitsers stil te staan bij het recente verleden. Of het kan hangt af van de omstandigheden waaronder en met wie het gebeurt. Dit is ook de kern van het debat dat ontstaan is, nadat prins Bernhard in het dagblad Trouw verklaarde geen bezwaar te hebben tegen het betrekken van Duitsers bij de vijftigste herdenking van de capitulatie van de nazi's in Wageningen op 5 mei volgend jaar.

Het is goed dat nu in Nederland, na Frankrijk en Engeland, deze principiële discussie is aangezwengeld. De toekomst van een vreedzaam Europa vereist dat we het huidige Duitsland accepteren als een volwaardige en strijdbare democratie. Vooroordelen die onder Nederlanders over Duitsers bestaan, mogen geen reden zijn vertegenwoordigers van het nieuwe Duitsland bij herdenkingen of vieringen uit te sluiten. Primitieve haat en stereotypen blokkeren de ontwikkeling van harmonieuze relaties tussen mensen, al is het wel begrijpelijk dat verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers er blijk van geven weerzin te hebben Duitsers op de traditionele jaarlijkse bijeenkomsten toe te laten. De direct betrokkenen willen op hun eigen wijze hun verdriet verwerken en verdienen respect en maatschappelijke erkenning voor de rol die ze in de jaren 1940-1945 hebben gespeeld. Toch behoeven deze tegengestelde uitgangspunten elkaar niet uit te sluiten.

Door met ingang van volgend jaar op 5 mei, naast de traditionele bijeenkomsten, nieuwe samenkomsten te organiseren, waar Duitsers en Nederlanders (en eventueel anderen) het verleden herdenken en ideeën ontwikkelen over het samenleven in de toekomst, kan een dimensie aan deze plechtigheden worden toegevoegd die tot dusverre in ons land ontbroken heeft. De aanwezige Duitsers zullen vertegenwoordigers van het nieuwe Duitsland moeten zijn - jongeren en democratische politici - en zeker geen oorlogsveteranen. Aan een verzoening met het verleden van deze mensen bestaat geen enkele behoefte. Bij dit nieuwe herdenken zou nu ook eens op evenwichtige wijze gesproken moeten worden over het Nederlandse handelen in de oorlog. De nazi's hebben Nederland overrompeld en zijn de uitvoerders geweest van de gruwelijkste misdaden in de geschiedenis van de mensheid. Maar hadden ze hun daden kunnen uitvoeren zonder de medewerking en het stilzwijgen van honderdduizenden Nederlanders? Wordt het na vijftig jaar geen tijd een correctie aan te brengen in het nationale zelfbeeld dat de Duitsers uitsluitend fout waren en de Nederlanders goed?

Tot welke bizarre situaties een verkeerde beeldvorming kan leiden, zien we momenteel in Frankrijk. Tijdens de vijftigste herdenking van D'Day weigerde president Mitterrand de Duitse kanselier Kohl uit te nodigen, omdat voor een representant van het verslagen Duitsland geen plaats was. De recente onthullingen over Mitterrands oorlogsverleden roepen evenwel de vraag op aan welke kant Mitterrand eigenlijk zelf stond. Waarschijnlijk aan de kant van het opportunisme, zowel toen als nu. Zoals zovelen.

Dat aan onze perceptie van het verleden het nodige gecorrigeerd kan worden, blijkt uit de slordigheid waarmee de Nederlandse overheid met de erfenis van de Tweede Wereldoorlog is omgesprongen. Overheidsdienaren die de uitvoering van het nazi-bewind mogelijk hadden gemaakt, mochten na 1945 gewoon aanblijven. Prof.dr. J.E. de Quay, die als lid van de Nederlandse Unie in 1940 aanpassing aan het Derde Rijk had bepleit, kon in 1959 zonder noemenswaardig protest minister-president worden. Pas in 1973 trad de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers in werking die de joodse en Indische slachtoffers van de oorlog een pensioen in het vooruitzicht stelde. Met de vieringen van de Duitse capitulatie op 5 mei was het niet beter gesteld. De Stichting van de Arbeid en de opeenvolgende naoorlogse kabinetten hadden uit financiële overwegingen bezwaar tegen het geven van een vrije dag zo dicht in de buurt van Koninginnedag. Aanvankelijk kregen werknemers twee uur in de middag vrij. In 1954 besloot het kabinet-Drees dat Bevrijdingsdag en Koninginnedag op dezelfde dag gevierd moesten worden. Sinds 1981 is de praktijk dat het overheidspersoneel een vrije dag heeft en de overigen alleen elk lustrumjaar Bevrijdingsdag kunnen vieren. Aldus heeft Bevrijdingsdag, ondanks de bewonderenswaardige wijze waarop diverse maatschappelijke groeperingen, de media, en zeker ook het Landelijke 4 en 5 mei Comité proberen de viering een doel te geven, weinig betekenis gekregen. Voor vele Nederlanders is de vijfjaarlijkse viering een gezellige dag geworden, waarop men zich net als op Koninginnedag 'bevrijdt' van de oude rommel op zolder. Die wordt dan op straat aan gretige kopers aangeboden.

Gelukkig trekt de jaarlijkse dodenherdenking wel belangstelling. Vaak worden de lijnen doorgetrokken naar het racisme en extreem-nationalisme in deze tijd. Maar of mensen hierdoor in staat zijn verschijnselen als de oorlog in Bosnië beter te plaatsen hangt mede af van het zelfonderzoek, dat sprekers op herdenkingsbijeenkomsten en de media bereid zijn te doen. Te weinig zijn we geconfronteerd met het feit dat ook anderen dan de Duitsers in staat waren misdrijven te plegen. Zo telde ons land 110.000 NSB'ers en sloten 25.000 mensen zich bij de SS aan. Nederlandse politiemensen hebben joden uit hun huizen gehaald en bewaakt in het kamp Westerbork. Er was in de oorlog niet alleen verzet, maar ook veel collaboratie, terwijl de meeste Nederlanders de ogen sloten.

Naarmate de tijd voortschrijdt, wordt het belangrijker te onderkennen dat de ware strijd in de Tweede Wereldoorlog er één was van democratie en menselijkheid tegen brute onderdrukking en onverschilligheid. Veelal viel deze strijd samen met het verzet tegen de Duitse bezetter, maar soms ook niet, omdat wreedheid en opportunisme allerminst eigenschappen zijn waarop de Duitsers het alleenrecht hadden en hebben. Zoals we een halve eeuw later weten zijn mensen overal in staat wreedheden te plegen, al is de planmatige poging een heel volk te vernietigen na 1945 niet meer voorgekomen. De aanwezigheid in Europa van nieuwe groeperingen die extreem nationalisme voorstaan en de uitstoting van migranten en andere minderheden bepleiten, maakt het noodzakelijk te benadrukken dat de vijand in de Tweede Wereldoorlog de verderfelijke nazi-ideologie was, die anders dan Hitler en zijn aanhangers, niet verslagen is. In het huidige Duitsland wordt hierover volop gediscussieerd. Weliswaar zijn er in Duitsland, onder invloed van de economische crisis na de hereniging, meer racistische gewelddaden dan elders, maar de reactie van de bevolking is ook feller. In de grote steden zijn tal van indrukwekkende demonstraties gehouden na aanslagen door radicale jongeren. Het is de Duitse regering, die recentelijk binnen de Europese Unie het initiatief heeft genomen tot een onderzoek naar harmonisatie van de nationale anti-racismewetgevingen. Op het publiekelijk ontkennen van de holocaust staat een gevangenisstraf van vijf jaar.

Tegen deze achtergrond is het niet langer vol te houden onze huidige samenleving in simpele modellen van 'goed' en 'fout' te verdelen. Uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog is de Europese Unie te voorschijn gekomen. Deze streeft naar een harmonieuze maatschappij voor alle Europese burgers. Dat moeten we ook in Nederland willen. Vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog is de vijfde mei een goede gelegenheid om samen met onze buren - met instandhouding van de traditionele plechtigheden - een begin te maken met een nieuw soort jaarlijkse bijeenkomsten. Daar zal op een open en eerlijke wijze het gezamenlijke verleden besproken moeten worden, om van daaruit te proberen een goede toekomst te waarborgen.