Filmfestival zucht onder almacht omroepdignitarissen

UTRECHT, 27 SEPT. De meest opvallende trendbreuk tijdens het 14de Nederlandse Filmfestival betreft de rol van de traditionele filmproducenten. Het rijtje vertrouwde namen en gezichten dat in Utrecht de lakens uit placht te delen - en de drankjes betaalde - heeft plaats gemaakt voor nieuwe dignitarissen. De gastheren van de recepties, de redenaars bij de premières en degenen met het hoogste woord in de wandelgangen zijn nu de dramaturgen, de hoofden informatieve programma's en de chefs fictie van de Hilversumse omroepen. Zij financieren immers, zij het met aanzienlijke steun van het Stimuleringsfonds en het CoBO-fonds (Coproduktie Binnenlandse Omroep), en nooit uit eigen zak, het leeuwedeel van de hier voor het eerst vertoonde produkties.

Het is maar de vraag of hun trots altijd gepast is. Niemand zal meer het belang in twijfel trekken van de rol van de televisie bij het initiëren en stimuleren van kwaliteitsdrama en dito non-fictie, nu de binnenlandse bioscoopmarkt zo verschraald is. Maar het resultaat van hun inspanningen vertoont een grillig beeld van pieken en diepe dalen. Bovendien zorgt de vertoning op een groot scherm van videobanden, omdat men het zonde vindt van een op video gemonteerde film nog een kopie te trekken voor eenmalige presentatie op het festival, per definitie voor een vale indruk.

Wim Odé van de NOS kan toch moeilijk gelukkig zijn over de uiterst lauwe ontvangst - de Belgische pers sprak zelfs van een blamage - in Utrecht van de peperdure dramaserie naar Hugo Claus' Het verdriet van België, die door de nasynchronisatie lijkt op een hoorspel (regie: Stijn Coninx) geplakt achter een bleke film (regie: Claude Goretta). En dan zwijgen we nog maar over het 'single play' (zo heet een korte speelfilm in televisieland) De pianiste, waarin de stervende rechter Peter Oosthoek in Kampen bezocht wordt door visioenen van een in felrood geklede Johanna ter Steege. De gelauwerde regisseur van jeugddrama Ben Sombogaart gaat er volledig mee de mist in, maar de hoofdschuldigen zijn de dramaturgen die dit uiterst zwakke scenario in produktie hebben laten nemen.

Meer eer legt de NOS in met de verfilming van originele scripts in de serie Een galerij, al varieert ook hier het niveau sterk. Theo van Gogh regisseerde er maar liefst drie, en zag kans om in een vrije week tussen twee afleveringen in op eigen kosten met zijn tv-crew de speelfilm 06 te draaien, nu een van de grote favorieten voor de Gouden Kalveren. Zijn beste NOS-film van dit jaar, Reünie, werd op raadselachtige gronden niet ingezonden naar het festival.

Voor de VARA (eindredacteur drama: Joost de Wolf) regisseerde Van Gogh een 'single play', dat hij samen met Don Dekker en Jan Rutger Achterberg ook zelf schreef. Eva is een cabareteske reeks variaties op een van Van Goghs favoriete thema's, door hemzelf aangeduid als 'bejaardenseks'. Het filmpje zit boordevol 'oneliners' van het type: “Het voordeel van Alzheimer is dat je elke dag nieuwe mensen ontmoet”. De acteurs, voorop Yoka Berretty, Ton Lensink en de verrassend goed spelende Jeanne Roos, moeten veel plezier gehad hebben bij het maken van dit portret van een rebelse, naar liefde hunkerende oude dame. De geforceerde leukigheid kan de kwaliteiten van de regie niet verhullen, maar de dramaturgen hebben onder hun bewakingstaak zitten slapen.

Op het gebied van de documentaire excelleert in Utrecht de NCRV, waar Ger van Dongen de scepter zwaait over de rubriek 'Dokument'. Zeer sterk is het verslag dat Albert Elings draaide van de zoektocht van een 29-jarige adoptiekind naar zijn natuurlijke vader. Het feit dat ik besta valt op door de wrange humor, de authenticiteit van niet-geënsceneerde verrassingen en de moed en sterke persoonlijkheid van de hoofdfiguur, die met de cameraploeg doodleuk aanbelt bij zijn niets vermoedende verwekker. Daar kunnen Spoorloos en andere spektakelbeluste vormen van 'reality tv' nog wat van leren.

Als het belerende, welzijnswerkclichés debiterende commentaar weggesneden wordt, zou ook Gerard d'Olivats Zwerven in het paradijs een parel aan de NCRV-kroon kunnen worden. De beelden bewijzen juist dat de geportretteerde Rotterdamse jonge thuislozen, een inbreker en een zwart meisje, wel degelijk verschillende kansen krijgen op een beter bestaan, maar dat zij, om welke redenen dan ook, kiezen voor een te korte afsteek naar het geluk.

De mede door de NCRV gefinancierde documentaire Twee Italianen van Ruud Monster mag het binnenkort eerst in de bioscoop proberen. Het slechts voor de goede verstaander kritische portret van restauranthouder Alessandro Fratestefano en de Groningse marmerkoning - en verkoper van gezondheidsstenen - Bruno Santanera, lijkt daarvoor te licht. Monster is een goed observator van fysieke details, maar geen begenadigd interviewer. Het is een oordeel dat er, wellicht ten onrechte, nog van uitgaat dat aan film hogere eisen gesteld mogen worden dan aan televisie. Zelfs de tv-bazen beginnen er aan te wennen dat hun werk op dezelfde manier beoordeeld en getoetst wordt als filmpremières.