Elk volk, elke regio zijn eigen taal, zijn eigen lied; Nederlandse muziek is vaak in het Duits, Frans of Italiaans

“De zee is vol van vissen

van vissen klein en groot

wij kunnen ze niet missen

de vissen zijn ons brood.''

De man die deze tekst dertig jaar geleden had gehoord in de opera De Snoek (1938) van Guillaume Landré kende hem nog uit zijn hoofd. Na al die tijd kon hij zijn walging nog steeds niet onderdrukken. “Toen ik dat hoorde had ik maar één gedachte: dit nooit méér”, zei hij vorige week op een symposium in Amsterdam, waar hij overigens onmiddellijk om de oren werd geslagen met de opmerking dat Friso Haverkamp voor Guus Janssens opera Noach een schitterende Nederlandse tekst heeft gemaakt.

Nederlanders horen niet graag in hun eigen taal zingen, anders dan bij voorbeeld Duitsers of Italianen. Het wordt snel 'gek' gevonden. Een tekst in een vreemde taal, hoe onbenullig ook, wekt veel minder weerstand op. Wie een klassieke muziekzender aanzet, hoort zelden een lied in het Nederlands en ook in de popmuziek heeft dat jarenlang gegolden, enkele genres (cabaret, smartlappen) uitgezonderd. Is het gêne, leent onze taal zich er niet voor, vindt men het afzetgebied niet groot genoeg, of speelt ons zwakke nationale zelfbewustzijn een rol?

Onder het motto Zingen in een kleine taal, de positie van het Nederlands in de muziek, bogen zich vorige week in Amsterdam wetenschappers, musici en andere belangstellenden over dergelijke vragen. Het symposium was georganiseerd door het P.J. Meertens-Instituut (dialectologie, volkskunde en naamkunde) van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De sprekers belichtten het probleem vanuit verschillende muzikale genres, van popmuziek tot en met religieuze zang. 'Klein' is ons taalgebied overigens niet, had prof.dr. Rokus de Groot van de universiteit van Utrecht berekend. Over de hele wereld zijn er zo'n 27,5 miljoen Nederlandstaligen, meer dan alle Noren, Zweden en Denen bij elkaar (18,6 miljoen).

Nederlandse componisten en zangers, zo bleek, wagen zich meestal liever niet aan Nederlandse teksten. Sommigen geven de taal de schuld, die zou niet geschikt zijn met die harde g's en onmogelijke tweeklanken als ei en ui. Bepaalde zangers bewaren liever wat distantie van de tekst en vinden hun eigen taal 'te dichtbij'.

Drs. Marjolein Streevelaar van de Utrechtse universiteit vertelde hoe er bij de opera al sinds jaar en dag wordt geharreward over het gebruik van het Nederlands. In de vorige eeuw waren in ons land vooral buitenlandse groepen gevestigd. Vanaf 1886 hebben directeuren van Nederlandse operagezelschappen gepoogd het internationale repertoire in vertaling uit te voeren met de leus 'eigen taal is eigen kunst'. Maar bij de eerste opvoering al van een vertaalde Faust van Gounod, braken verhitte polemieken los in kranten en tijdschriften. Men vond het 'dwaas en ruw' en een NRC-recensent klaagde over de 'oorverscheurende uitspraak'. Tot en met 1928 traden er in ons land wel steeds gezelschappen op met Nederlands repertoire, daarna nam de belangstelling weer af. In 1961 deed de Raad voor de Kunst nog een poging vertalingen te stimuleren, maar veel heeft dat volgens Streevelaar niet opgeleverd. In het Amsterdamse Muziektheater is vrijwel alleen Nederlands te horen als het oorspronkelijk Nederlandstalig werk betreft. Sinds de boventiteling is ingevoerd, is er ook nauwelijks meer behoefte aan vertalingen.

In de popmuziek is een tegenovergestelde ontwikkeling gaande. Groepen als Doe maar, Normaal en Toontje Lager zetten begin jaren tachtig met Nederlands repertoire een nieuwe trend in, die zijn hoogtepunt had in de jaren '83 en '84. “Daarna is er een dip geweest, maar nu zijn de Nederlandse taal en de popmuziek in een soort harmonie geraakt”, aldus dr. Paul Rutten van de Katholieke Universiteit Nijmegen. De teksten, gekenmerkt door 'confronterend realisme, met weinig plaats voor illusie', spreken vooral een jong publiek aan.

Een opmerkelijk fenomeen doet zich in de regio voor. Daar bloeien de muziekgroepen die in streektaal het leven op het platteland verheerlijken en zich afzetten tegen de verfoeide randstedelingen met hun kapsones, een ontwikkeling die zich 'onttrekt aan het oog van de intellectuelen in het westen', aldus dr. Louis Peter Grijp van het Meertens-Instituut. De meestal komische liederen worden gezongen op feesten, partijen en in cafés door muzikanten in klederdracht of boerenkleding. In de liedjes ontwikkelt zich een nieuw dialect, een mengeling van de bestaande streektaal en standaard-Nederlands, die door iedereen in het desbetreffende gebied wordt begrepen. Als voorbeeld draaide Grijp Ik ben maor 'n boerenjong'n, een Drentse versie van John Denvers I'm only a country boy, gezongen door Jan Diever uit Diever. Grijp: “De liedjes combineren regionaal bewustzijn met een fors vleugje nostalgie. Het publiek beschouwt de muzikanten als 'onze jongens'. Dat maakt ze waarschijnlijk zo populair. Maar veel weten we er nog niet van.”

Uit deze regionale liedjes spreekt een zekere trots op de eigen cultuur en streek, een liefde die volgens de sprekers over het algemeen in Nederland zwak ontwikkeld is. De geschiedschrijver Johan Huizinga sprak in dat verband al van 'nationale zelfverguizing'. In tijden van opbloeiende vaderlandsliefde floreert ook het lied in de eigen taal. Dat was onder andere het geval in de periode 1885-1915, toen een groot aantal klassieke componisten (o.a. J.W.F. Brandts Buys, Cornelis Dopper, E.A. von Brucken Fock, Johan Wagenaar) Nederlandstalige werken schreef. Daarvoor deden ze dat veelal in het Duits, Frans of Italiaans.

Diezelfde tijd bracht ook een van de meest hardnekkige en luidruchtige voorvechters van de Nederlandstalige muziek voort, de 'eeuwige student' Frits Coers (1870-1937). Hij verzamelde volks- en studentenliederen en wat hij verder nog tegenkwam en gaf ze gebundeld uit, want, zo vond hij, “men mag de liederen niet laten vermuffen op de tafel der wetenschappelijke weters van muziek, noch der folkloristen, noch der letterkundigen, noch der geschiedkundigen”. Coers, door dr. Jozef Vos van de Utrechtse universiteit tevens getypeerd als een 'enorme zuipschuit' bleef bijna zijn leven lang actief lid van het Utrechtse studentencorps, waar nog steeds een soort dispuut naar hem is genoemd. In 1904 richtte Coers de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsche Lied op met als doel het verzamelen van Nederlandse volksliederen. Coers placht zijn bewondering voor het volkslied niet onder stoelen of banken te steken en deed dat in bewoordingen die menige operatekst in hoogdravendheid overtreffen: “De natuur geeft ieder volk zijn taal, zijn lied, dat is 't Volkslied en beide vormen één geheel, beide behooren bij elkaar zoals man en vrouw, men mág, men kán ze niet scheiden, 't is de harmonie verbreken, 't is de natuur beledigen. Wij met ons heerlijk Nederlandsch geluid, dat zingt en schildert en uitbeeldt, zóó lieflijk in die vele zoete klankjes, zoo kleurenrijk en tastbaar, zoo volmaakt, dat ons woord uitdrukking kan geven aan elke gemoedsbeweging”.