Een dure kat

“Wat een prachtige kat is dat!”

“Ja, hoe vind je 'm. Pure schoonheid, niet?”

“Wat een dikke, stevige vacht. Die staart lijkt wel een rietpluim. En die kleur... schitterend. Maar eh, dat is geen gewone kat hè?”

En dan stokt het gesprek.

Mijn kat is inderdaad geen gewone kat. Mijn kat is een raskat. Daar zijn honderden guldens voor betaald, realiseert men zich en dat is ook de enige vraag die er wordt gesteld: hoeveel kost zoiets nou eigenlijk? Verder niet, want bij zulke nodeloze extravagantie passen mij stilte en schaamte, merk ik. Beleefde hoon is mijn deel en een weerwoord heb ik niet, al vraag ik me af waarom ik de peperdure Oilily-kleertjes die de spreekster kocht voor haar kinderen destijds heb bewonderd en niet bespot: alleen van C&A'tjes te onderscheiden door de, aan de buitenkant opgenaaide, labels en ze groeien er net zo snel uit.

Waarom doet ze nou zo! Waarom mag ik niet uitweiden over het feit dat de fokster zich teleurgesteld betoonde, toen ik zei dat ik het beest voor mijn plezier zou houden en nergens anders voor. Zo'n mooi exemplaar, zonde vond ze het dat hij niet beschikbaar zou zijn voor de fok en dat ik geen tentoonstellingen met hem zou lopen. Maar zulke trots kan ik zelden kwijt. Mijn omgeving, zelfs mijn vrienden brengen me ertoe schutterigheid te veinzen en het feit dat het beest niet alleen lief is, maar daarbij van adel, weg te moffelen in grapjes en valse bescheidenheid.

Een raskat is not done. Een poes is een gedrocht dat je ergens gratis afhaalt waar ze je dankbaar zijn dat je 'm meeneemt. Betaalde je iets voor hem, dan was dat aan een asiel, waar je het dier dus van de dood redde. Wil je op een kat pochen dan vertel je een leuterverhaal over zijn vermeende intelligentie en onafhankelijkheid. Je houdt van 'm, ongeacht zijn uiterlijk. Zo hoort het.

Maar niet voor mij. Ik vind poezen leuke dieren, maar ik weet dat hun intelligentie een waanidee is van hun eigenaren. Hun zogenaamde humor berust op komiek gedrag dat ze niet opzettelijk vertonen maar omdat dat hun aard is.

Lief zijn is niets bijzonders voor een poes, leuk zijn ook niet. En ik wilde een bijzondere poes. Een mooie, een exemplaar van een soort die ik ooit in een film zag optreden. Het is een Karthuizer, vertelde me de maker van de bewuste film. Door die naar Middeleeuwse, grauw-gepijde monniken verwijzende naam werd het beest nog begeerlijker. Dat 'Karthuizer' de officieuze benaming bleek te zijn van het ras 'Britse Korthaar' gebruik ik nu als verontschuldigend geluid tegenover laatdunkende kennissen, maar voor mezelf moffel ik het liever weg. Die term lijkt te veel op 'Europese korthaar', de aanduiding van welke kat je waar ook maar op de vensterbank ziet soezen.

Grijs is mijn Karthuizer, egaal zachtgrijs, alsof iemand 'm met een zacht Bruynzeelpotlood heeft ingekleurd. Zijn haar is kort, zijn pels dik, zijn postuur is gedrongen. Zijn bewegingen zijn soepel, poema-achtig. Zijn kop is vierkant, met kleine ronde oren en twee barnstenen ogen. Wanneer hij wakker wordt en loom zijn ogen opent treft zijn oranjegele blik je tussen al dat grijs als een vuistslag. Mijn dochter noemt hem Keetje, maar op papier heet hij Buster Keaton. Hij heeft een uitvoerige stamboom, vol schitterende namen. Zijn opa heet Balthasar von Blauen Berg, zijn oma Lilac Lovelace en zijn betovergrootmoeder Blue-Butterfly von Bubel.

En niemand die ook maar de beleefdheid opbrengt om net te doen of het hem interesseert. De kennis die een orginele flipperkast kocht en die het bestond om me boven die stompzinnige prentjes en flitsende lampjes door te zagen over de herkomst niet. De trotse eigenaresse van de heel bijzondere, origineel uit Italië geïmporteerde, spatglanzende espressomachine evenmin. Wie zich een uitzinnige hifi-toren veroorlooft mag opscheppen, wie een overdreven computer of pc aanschaft is geëxcuseerd als hij er niet over op kan houden. Een vloer, een tailleur van een gearriveerde couturier, een auto, een horloge, er is begrip voor elk snobisme. Maar wie zich laat verleiden door een raskat is een slecht mens en doet er beter aan zijn bewondering voor zich te houden.

Ik heb geen juwelen, ik taal niet naar antiek, meubilair interesseert me niet en ik breek zo vaak kopjes en bordjes dat de gedachte aan chic serviesgoed niet bij me opkomt. Mijn vakanties hoeven niet zo ver en ik heb zelfs nooit verlangd naar een magnetron, laat staan dat ik warmloop voor een keuken vol met geavanceerde apperatuur. Ik ben intussen van harte bereid om iedereen die krom ligt om zulke luxe aan te schaffen ter wille te zijn en de eindeloze tevreden verhalen aan te horen. Maar waarom word ik pas serieus aangehoord als ik besmuikt vertel dat de Britse Korthaar bekend staat om zijn lieve karakter? Net of ik hem daarom heb aangeschaft. Ik had hem niet genomen als hij berucht was geweest om zijn agressiviteit, maar die lievigheid is nooit een argument geweest. Ik vind 'm mooi, edel, een benijdenswaardig bezit. Ik heb hem, hij heeft mij.

Wanneer er weer iemand nuffig reageert op mijn Karthuizer, dan weet ik hoe het moet. “Ja”, zeg ik dan. “Dat is een raskat. En ik denk dat ik er nog een neem. In het bruin. Choclat heet die kleur.”