Economische groei maakt de tijd rijp voor een loongolfje

DEN HAAG, 27 SEPT. De gunstige halfjaarberichten van Nederlandse ondernemingen, die reppen van winstexplosies van tientallen procenten en de juichende groeicijfers van het Centraal Planbureau (2 procent economische groei in 1994 en 3 à 4 procent in 1995) hebben de sociaal-economie in vuur en vlam gezet. Vakbonden verlaten aarzelend de defensieve stellingen waarin ze door de hoge werkloosheid vastgemetseld leken. De FNV stelt een looneis van “maximaal 2,25 procent”.

De werkgevers zien de bui hangen en kwamen gisteren met een defensieve tegenzet. De lonen kunnen de komende jaren inderdaad weer met zo'n tien procent omhoog, rekende de voorzitter van de christelijke werkgevers J. Blankert gisterenmiddag tijdens een persconferentie van zijn organisatie voor. Alleen: niet in de vorm van hogere loonschalen, maar in de vorm van “loon dat meeademt met de winsten”. Loon dus dat ook weer omlaag kan wanneer het onverhoopt slechter mocht gaan met de economie.

De suggestie is niet nieuw, want hij is reeds opgenomen in het centraal akkoord Een Nieuwe Koers dat werkgevers en werknemers november 1993 met elkaar sloten. De werkgevers zijn tamelijk laat met hun initiatief. De door NCW-voorzitter Blankert voorgestelde vijfjarige nullijn voor de cao-lonen is door de euforie van stijgende winsten en economische groei plotsklaps fictie geworden. Elke vakbondsonderhandelaar weet namelijk dat leden onder dit economisch gesternte geen genoegen nemen met zo'n nullijn. Hogere lonen, zo weten deze onderhandelaars, hebben het voordeel dat ze doorwerken in de pensioenen die hun leden later krijgen en in de uitkeringen waarop die leden recht hebben mochten ze bij een volgende economische crisis uit het arbeidsproces worden gestoten. Winstafhankelijke beloning heeft dat voordeel niet.

De bonden hebben de wind mee. Het nut van voortgezette loonmatiging wordt ook door economen betwist. Op 1 juni 1994 hekelde de Tilburgse econoom A. van Schaik wat hij noemde “het conservatisme van De Nederlandsche Bank”, die toen net haar jaarverslag over 1993 had gepubliceerd. “Het lijkt erop alsof Nederland, sterker nog dan andere landen, terecht is gekomen in een neerwaartse spiraal van loonmatiging, groeivertraging, loonmatiging, enzovoort”, schreef Van Schaik toen in het vakblad voor economen ESB.

De Amsterdamse econoom S. van Wijnbergen liet zich in soortgelijke bewoordingen uit en ook econoom-politicus R. van der Ploeg (PvdA) betwijfelde het nut van aanhoudende loonmatiging. Vorige week donderdag voegde oud-Planbureaudirecteur P. de Ridder zich bij deze kopgroep. In een interview met deze krant betoogde hij dat loonmatiging en bezuiniging “volstrekt onvoldoende” zijn om het economische probleem van Nederland op te lossen. Volgens De Ridder bestaat de Nederlandse export voor een te groot deel uit laagwaardige technologische produkten, die gemakkelijk en goedkoop nagemaakt kunnen worden door producenten uit lage-lonen landen. Volgens De Ridder dienen zowel bedrijven als overheid in hun uit te stippelen strategieën aan te grijpen bij wat de Oostenrijks-Amerikaanse econoom Schumpeter creative destruction noemde. Weg met de weinig innoverende ondernemers die verantwoordelijk zijn voor de produktie van laagtechnologische produkten. Leve de inventieve entrepreneur.

Gisteren nam een Duitser, prof.dr. A. Kleinknecht, de kop over. Hij gooide meteen het tempo flink omhoog. In een vernietigende analyse maakte Kleinknecht korte metten met het loonmatigingsbeleid van het ministerie van sociale zaken en wat hij noemt “de lobbyisten van de niet innoverende kneusjes”.

Het is geen toeval dat deze ideeën nu opkomen. De betreffende economen bewijzen ten overvloede dat elk economisch probleem op minstens twee manieren kan worden benaderd. Als blijkt dat Nederland zowat de hoogste uitgaven voor sociale zekerheid van de Westerse wereld heeft in procenten van het bruto binnenlands produkt, dan kun je als econoom pleiten voor bezuiniging op uitkeringen, ontkoppeling, lagere ambtenarensalarissen en loonmatiging om zo de loonkosten (behalve bruto lonen ook belastingen, sociale lasten en andere heffingen) te drukken en meer mensen aan een baan te helpen. Je kunt ook redeneren dat er een hogere economische groei nodig is, door meer nadruk te leggen op innovatie, dynamiek, investeringen, etcetera.

Die laatste denkrichting heeft nu het tij mee. De economen bij het ministerie van sociale zaken en de werkgeversverbonden daarentegen hebben het tij tegen. Met pleidooien voor meer winstafhankelijke beloning en loondifferentiatie proberen ze een dam op te werpen tegen het aanstormende geweld van vakbondsbestuurders en groeieconomen. Maar de trend is glashelder. Er zit weer vlees op de botten (een uitdrukking die NCW-directeur J. Weitenberg een aantal jaren geleden in een vergelijkbare situatie gebruikte) en dus wordt het tijd voor een loongolfje.