Berbers komen in opstand tegen Algiers

De Franse televisie, dankzij de schotelantennes in heel Algerije aandachtig bekeken, bracht gisteren beelden van gewapende strijders die in Kabylië - de noordelijke streek van Algerije - wegversperringen bemannen. Ditmaal waren het geen moslim-extremisten, maar burgers in Kabylië, die al geruime tijd in het diepste geheim georganiseerd en getraind worden om in opstand te komen en Kabylië desnoods af te scheiden, als het radicale FIS (Front van Islamitische Redding) aan de macht komt.

Gisteren was het ogenblik gekomen voor die strijders om in het openbaar te treden. Want Kabylië dreigt met “een totale oorlog” - niet alleen tegen de extreem-islamitische groeperingen, maar ook “tegen al diegenen, zonder enige uitzondering, die hen direct of indirect bijstaan”. Daarmee wordt de overheid bedoeld, die volgens diverse goed ingelichte bronnen en in strijd met de uitlatingen van de afgelopen tien dagen, wel degelijk een geheim principe-akkoord heeft gesloten met de leiders van het FIS.

De bijzonderheden van dit akkoord, vorige week nog ten stelligste ontkend door president Zéroual - “ik heb niets concreets met de leiders van het FIS besproken” - zijn onbekend. Maar dat de president en een aantal FIS-leiders op een aantal punten met elkaar samenwerken, is overduidelijk. Want opeens werden de afgelopen dagen vier belangrijke leiders van de ultra-radicale GIA (Gewapende Islamitische Groep) door het leger verrast en doodgeschoten. Een van hen was de 26-jarige Cherif Gousmi, die zichzelf onlangs tot kalief proclameerde van een door de GIA uitgeroepen islamitische regering. Vorig jaar had hij persoonlijk een Franse zakenman en diens zoon vermoord. Samen met hem liet Abdessalam Djemaoune, beter bekend als 'de keelafsnijder', het leven. Het was een herhaling van wat er in februari gebeurde, toen president Zéroual ook al tot een akkoord met het FIS probeerde te komen. In ruil daarvoor verried het FIS de schuilplaatsen van de hoogste GIA-leider, die met negen van zijn volgelingen werd gedood.

Het huidige akkoord tussen president Zéroual en een deel van het FIS om verkiezingen voor te bereiden, waaraan het FIS kan deelnemen, wordt bepaald niet op prijs gesteld door de éradicateurs binnen en buiten het leger - zij die de extreem-radicale islamitische groepen met wortel en tak willen uitroeien. Zij hebben de messen geslepen, evenals de entourage rond de president die een machtsdeling met het FIS voorstaat. Men wachtte al enige tijd alleen het moment af waarop de vlam in de pan zou slaan.

Pag.4: Berbers dreigen met totale oorlog

Dat gebeurde met de ontvoering van de uitzonderlijk populaire volkszanger zanger Latoub Mounès, hèt symbool bij uitstek van het 'berberisme', dat de eigen identiteit van de Berbers in Kabylië onderstreept. Latoub Mounès werd zondagavond door twaalf gewapende mannen meegenomen uit een café in een dorp bij Tizi Ouzou, de hoofdstad van Kabylië. Voor zijn leven wordt gevreesd, omdat vrijwel iedereen die de afgelopen anderhalf jaar in Algerije werd ontvoerd, met doorgesneden keel of onthoofd werd teruggevonden. De 38-jarige zanger geldt sinds jaren als de grote voorvechter van het Tamazigh, de taal van de twee tot drie miljoen Berbers in Kabylië. Over de plaats van de Berber-cultuur in het onafhankelijke Algerije wordt al bijna een halve eeuw strijd geleverd. Die strijd begon reeds in 1947, zeven jaar voor het uitbreken van de onafhankelijkheidsoorlog - aanvankelijk binnen de PPA (de door Frankrijk verboden Algerijnse Volkspartij) en zijn gewapende arm, de OS (de Geheime Organisatie), vervolgens binnen het FLN, het Nationale Bevrijdingsfront, dat de vrijheidsoorlog met succes bevocht en na de overwinning in 1962 de macht in Algerije overnam.

In 1947 susten de leiders van de PPA en de OS hun Kabylische strijdmakkers in de oorlog tegen Frankrijk nog met de mededeling dat de Berber-kwestie na de onafhankelijkheid aan de orde zou komen. Maar dat gebeurde niet. Want president Ben Bella en zijn opvolger Boumédienne bepaalden dat Algerije een eenheidsstaat moest zijn en 'Arabisch'. De onafhankelijk geworden Noordafrikaanse staten besloten in naam van het Panarabisme en de eenheid van hun land, de Berber-talen hun legitieme plaats onder de circa 20 miljoen Berbers te ontnemen. Gewapend verzet van de Kabylische Berbers onder leiding van Ait Ahmed leverde, afgezien van ongeveer 300 doden, niets op. Algerije werd door zijn machthebbers geforceerd gearabiseerd.

Die arabisatie had als neven-effect dat in Algerije, naast de ideeën van het Arabisch nationalisme, een nieuwe en veel radicalere vorm van islam werd geïntroduceerd. Want naarmate het oude regime van het FLN, dat Arabisch nationalisme in een socialistische jas predikte, elk aanzien verloor, werden de radicaal-islamitische ideeën sterker. In het traditioneel-islamitische Kabylië vereenzelvigt men radicaal-islamitische groeperingen als het FIS met arabisatie en onderdrukking.

De strijd voor het Tamazigh en de Berber-cultuur wordt gevoerd door de in Kabylië zeer invloedrijke MCB (de Culturele Berber-Beweging), die sinds 1980 actief is en in veel dorpen eigen scholen heeft opgericht. De MCB heeft de afgelopen jaren vele tienduizenden mensen op de been gebracht, die in massale demonstraties in de grote steden van Kabylië luidkeels riepen: “Wij zijn geen Arabieren! Wij zijn Berbers!” Want waar in de rest van Algerije het FIS in staat was de werkloze jongeren voor zijn ideeën te enthousiasmeren, gebeurde in Kabylië precies het omgekeerde. Daar vindt het stadsproletariaat houvast aan het 'berberisme'.

Aan dat wijd verspreide gevoel geeft Latoub Mounès in zijn liederen, feller dan wie ook, uiting. Hij was één van de organisatoren van 'de Berberse lente' - de massale demonstraties en stakingen in Kabylië, die op 20 april 1980 begonnen, met als inzet erkenning door de overheid van het Tamazigh als één van de talen van Algerije. Mounès noemde Arabisch “een oninteressante taal, die kennis en wetenschap niet vergroot” en de Algerijnse school “een opleidingsinstituut voor monsters die de sterren uitdoven” (een verwijzing naar de moorden door de extreem-islamitische groeperingen op vooraanstaande intellectuelen, kunstenaars en journalisten). Jarenlang werd hij van de Algerijnse radio en televisie geweerd, wat hem alleen nog populairder maakte. De tekst van één van zijn laatste liederen, overal in Kabylië gespeeld, luidt: “Er zal altijd één intellectueel overblijven om ons morgen te herinneren aan het drama van vandaag.”

Gisteren dreigde de MCB, waarin de elkaar naar het leven staande politieke partijen van Kabylië verenigd zijn, in een ultimatum met “een totale oorlog”, als Latoub Mounès niet binnen 48 uur gezond en wel is teruggekeerd. In het ultimatum werd tevens gesteld dat Mounès is ontvoerd “door gewapende elementen, die zich als gewapende islamitische groepen uitgaven”, met de toevoeging dat de overheid “een deel van de verantwoordelijkheid moet dragen, omdat een provocatie van haar kant niet moet worden uitgesloten”.

De MCB verdenkt de overheid ervan dat zij een gewelddadige reactie in Kabylië wil uitlokken, waardoor met name één van de politieke Berber-leiders, de psychiater Saïd Sadi, als 'regionalist' in diskrediet kan worden gebracht.

Deze Saïd Sadi is niet alleen hoofd van de in 1989 opgerichte politieke partij RCD (de Vereniging voor de Cultuur en de Democratie), maar ook het brein achter de MCB. Hij werd in 1980, toen de Berbers van Kabylië opnieuw in opstand kwamen, in de gevangenis gegooid. Na de oktober-rellen van 1988, die het multi-partisme en de democratie in Algerije inleidden, ontpopte hij zich als fervent voorstander van een absolute breuk met het verleden - dat wil zeggen economische liberalisatie om een sterke middenklasse te creëren, drastische hervorming van het onderwijs en verbod op alle radicaal-islamitische politieke uitingen en groeperingen. Hij wijst elk compromis met de moslim-radicalen af.

Hij was dan ook een gewaardeerde bondgenoot van de generaals, toen die in januari 1992 president Chadli Benjedid tot aftreden dwongen en het FIS de oorlog verklaarden. Maar na de moord op Chadli's opvolger, president Boudiaf, werd het duidelijk dat een aantal generaals toenadering zocht tot het FIS. Zij zagen de koppige Saïd Sadi als een politieke sta-in-de-weg. Dat leidde een jaar geleden tot de waarschuwing van overheidszijde, dat hij zijn kritiek op het gevolgde beleid moest inslikken óf de consequenties van zijn weigering moest dragen.

Maar die aanzegging leidde er ook toe dat Saïd Sadi door diegenen in het leger die niets van de toenaderingspolitiek van president Zéroual moeten hebben, als een alternatief wordt gezien. Zij geloven dat Zéroual de strijdkrachten én Algerije te gronde richt, als hij het FIS opnieuw legaliseert en door verkiezingen aan de macht brengt. De éradicateurs binnen het leger zoeken nu toenadering tot Saïd Sadi om vanuit Kabylië de strijd aan te gaan tegen hun voormalige legerkameraden die een bondje met het FIS hebben gesloten.

Het zijn omstandigheden die de tot dusver gevoerde burgeroorlog kinderspel maken. Een vertrouweling van president Zéroual zei dan ook onlangs cynisch: “Algerije heeft dertig jaar stand gehouden. Dat is toch niet slecht?”