Banque de France houdt zich precies aan 'Maastricht'

Jean-Claude Trichet is directeur van de Franse centrale bank die in januari - ingevolge de bepalingen van de Economische en Monetaire Unie (EMU) in het verdrag van Maastricht - een onafhankelijk statuut kreeg.

“De onafhankelijkheid van de Banque de France draagt bij aan de geloofwaardigheid van ons beleid en van onze munt”, zegt Trichet. Het beleid van de bank wordt bepaald door een Conseil de la politique monétaire.

Het credo van Trichet lijkt sterk op dat van de Bundesbank: “Ons beleid staat in het teken van binnenlandse prijsstabiliteit en externe stabiliteit van de munt.”

De gouverneur van de Banque de France grijpt ter verklaring van de samenhang in de wereldeconomie naar de natuurkunde van de elementaire deeltjes. Jean-Claude Trichet, bewaker van de hardheid van de Franse franc, schets een model van protonen en quarks. “De proton is een eenheid, die bestaat uit drie deeltjes, de quarks”, zegt hij. “Zolang de quarks binnen een bepaalde ruimte blijven, zijn ze volkomen vrij om te bewegen. Maar als ze in tegengestelde richtingen gaan en de onderlinge afstanden te groot worden, komen enorme krachten in werking die verhinderen dat ze uit elkaar drijven en het voortbestaan van het geheel, dat wil zeggen van de proton, verzekeren.”

De vergelijking met de economische samenhang is duidelijk: de Verenigde Staten, Europa en Japan vormen de quarks, die tot op zekere hoogte vrije bewegingsruimte hebben binnen het internationale economische en monetaire stelsel, maar onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en tot elkaar zijn veroordeeld. “In de huidige wereldeconomie hebben we bewegingsruimte nodig tussen de drie economische blokken en tegelijkertijd hebben we een vaste hand en discipline nodig om stabiliteit en welvaart in het systeem zeker te stellen.” De grootste uitdaging in het internationale economische stelsel, zegt hij, is om het subtiele evenwicht tussen flexibiliteit en stabiliteit te vinden.

Jean-Claude Trichet kent het klappen van de zweep. Sinds een jaar staat hij aan het hoofd van de Banque de France, de centrale bank van Frankrijk die in 1800 door Napoleon is opgericht en acht jaar later is ondergebracht in het Hôtel de Toulouse, een majestueus gebouw in vroeg-Franse Barok in het hart van Parijs. De kunstschatten, de stijlkamers en het meubilair in het gebouw zijn een doorsnede van de Franse culturele erfenis, de Banque de France zelf is een onlosmakelijk onderdeel van de Franse staat, de financier van de kleine generaal en van koningen, keizers en presidenten.

Althans, tot 1 januari van dit jaar. Want in overeenstemming met de regels voor de Economische en Monetaire Unie (EMU) in het verdrag van Maastricht, heeft Frankrijk de centrale bank formeel onafhankelijk gemaakt van de regering. “Dat is een belangrijke verandering in het institutionele kader”, zegt Trichet. In zijn vorige functie, thesaurier-generaal bij het ministerie van financën en economie, was hij direct betrokken bij de onderhandelingen over de EMU. Bovendien was hij sinds 1992 voorzitter van het Monetair Comité, het invloedrijke gezelschap van topambtenaren en centrale bankiers dat het beleid in het Europese Monetaire Stelsel voorbereidt. In die hoedanigheid was hij de spil in het monetair-diplomatieke steekspel tijdens de EMS-crises van september 1992 en augustus 1993.

“De onafhankelijkheid van de Banque de France draagt bij aan de geloofwaardigheid van ons beleid en van onze munt”, zegt Trichet. “Dit wil natuurlijk niet zeggen dat deze geloofwaardigheid voor die tijd op niets gebaseerd was. We volgen al zeven en half jaar een beleid dat erop is gericht deel uit te maken van de groep van stabiele munten in het wisselkoersmechanisme van het EMS. Maar onafhankelijkheid voegt daar nog wezenlijk iets aan toe.”

Bij de voorbereiding van de wetgeving die de onafhankelijkheid van de Banque de France regelt, is Frankrijk te rade gegaan bij voorbeelden van onafhankelijke centrale banken. Maar de Bundesbank, de Zwitserse centrale bank en de Amerikaanse Federal Reserve Board opereren in federaal georganiseerde landen en zijn opgezet met regionale afgevaardigden in hun bestuur. “Frankrijk is een gecentraliseerde staat, we moesten dus een eigen vorm ontwikkelen”, aldus Trichet. Daarom is gekozen voor een Conseil de la politique monétaire (zie kader), een gezelschap van negen 'wijze mannen' die, zoals Trichet zegt, “een breed terrein van deskundigheid, maatschappelijk draagvlak en het politieke spectrum bestrijken, waardoor ze in staat zijn tot de hoogste graad van wijsheid op het gebied van monetair beleid”. In de wet staat dat de Raad voor monetaire politiek geen instructies mag aanvaarden van de regering en evenmin om instructies mag vragen. “Precies zoals in het Verdrag van Maastricht is geformuleerd”, voegt Trichet er aan toe.

Net als de Duitse centrale bankraad komt de Franse Raad iedere veertien dagen bijeen om de details van het monetaire beleid bij te stellen. De hoofdlijnen voor de middellange termijn zijn aan het begin van het jaar uitgezet: stabiliteit, geloofwaardigheid, continuïteit.

Als ergens sprake is van 'convergentie', het veel gebruikte maar soms holle begrip voor economische beleidsafstemming, is het tussen de Westeuropese centrale banken. Trichet spreekt alsof in Parijs de Bundesbank zijn intrek heeft genomen. “Ons monetaire beleid staat in het teken van binnenlandse prijsstabiliteit en externe stabiliteit van de munt”, doceert hij. “De binnenlandse stabiliteit bestaat uit streven om de prijsstijgingen te beperken tot maximaal twee procent. Dat is op het ogenblik, met een inflatie van 1,7 procent, het geval. En de stabiliteit van de franc stellen we zeker binnen het wisselkoersmechanisme van het EMS.”

Een jaar geleden ging het lelijk mis met de franc. Nadat de Franse regering in september 1992, kort voor het referendum over het verdrag van Maastricht, de franc met kunst en vliegwerk - en met omvangrijke steun van de Duitse en Nederlandse centrale banken - nog binnen het Europese wisselkoersmechanisme wist te houden, zakte de franc eind juli 1993 door de bodem. In het monetaire crisisberaad van 1 en 2 augustus in Brussel besloten de EU-ministers van financiën om de marges voor koersschommelingen binnen het EMS, 2,25 procent, te verbreden tot 15 procent afwijking van de spilkoers. Het was, zoals toenmalig minister van financiën Kok oordeelde, “een noodgreep” om het EMS van de ondergang te behoeden.

Maar de Franse centrale bank maakte geen gebruik van de geschapen ruimte om met renteverlagingen de nationale economie te stimuleren en de franc tot de nieuwe bodem van het verruimde EMS te laten zakken. Na enkele maanden krabbelde de franc die aanvankelijk zo'n vijf procent onder zijn spilkoers was gezakt, terug binnen de formeel afgeschafte smalle marge. De franc is sinds november stabiel.

Frankrijk hield de aanwezigen bij het Brusselse crisisberaad van augustus vorig jaar lange tijd in grote onzekerheid. De Fransen wilden onbeperkte steun voor de franc, voor Duitsland (en Nederland) was dat onaanvaardbaar. Pas op het laatste moment, toen de financiële markten in het Verre Oosten open begonnen te gaan, liet Frankrijk weten dat een brede band van vijftien procent aanvaardbaar was. En dat leek aanvankelijk slechts een symbolische betekenis te hebben. Nu zegt Trichet: “De ministers en centrale bankgouverneurs gaven met hun besluit drie signalen af. Ten eerste: we handhaven het wisselkoersmechanisme. Ten tweede: we zijn unaniem van mening dat de spilkoersen overeenstemmen met de onderliggende economische verhoudingen (-er was dus geen sprake van overgewaardeerde munten, zoals bij de EMS-crisis van september 1992 - red.). En ten derde: er moet een tweezijdig risico bestaan voor de financiële markten (-speculanten moeten niet alleen de kans hebben op winst, maar ook het risico van verlies lopen - red.). Dank zij deze oplossing en het wijze beleid van de Europese centrale banken hebben we de wisselkoersstabilteit sindsdien kunnen handhaven.”

Trichet verklaart de franc-crisis van vorig jaar door een verkeerde inschatting van de financiële handelaren. “Gezien de problemen die er op dat moment nog waren met de economische conjunctuur en de inflatiedruk, heeft het enkele feit van de smalle bandbreedte misschien de valse indruk gewekt bij een groot aantal deelnemers in de financiële markten dat de wisselkoersverhoudingen kunstmatig waren”, formuleert hij omzichtig. “Dat was niet het geval, maar ze dachten dat dit het geval was. En ze maakten een vergissing door het wisselkoerssysteem aan te vallen. Er was sprake van een misverstand tussen het systeem en een deel van de marktdeelnemers.”

Een kostbaar misverstand, dat wel. De Franse centrale bank moest al zijn reserves inzetten om de franc te ondersteunen, tussen Duitsland en Frankrijk vond gespannen noodoverleg plaats. Opnieuw schoten de Bundesbank en De Nederlandsche Bank te hulp met kredieten aan de Banque de France. De speculanten, die in 1992 miljarden hadden gewonnen in de aanval op het overgewaardeerde Britse pond, verloren in de slag om de franc. “Ze dachten dat ze konden verdienen aan een wisselkoersaanpassing. Ze schatten de werkelijke economische situatie niet goed in. Ze maakten een vergissing en ze verloren”, zegt Trichet. De Banque de France won, psychologisch en financieel.

De winst van de Banque de France op de speculatieve aanvallen van september '92 en augustus '93 was mogelijk omdat de franc zich snel herstelde. De Banque de France kon daardoor zijn leningen bij de Bundesbank en De Nederlandsche Bank aflossen door tegen een gunstiger koers D-marken en gulden te kopen dan de prijs waarvoor ze geleend waren. Hetzelfde mechanisme dat speculanten bij een geslaagde aanval verrijkt, werkte in het voordeel van de Banque de France. De speculanten leden verlies omdat de gegokte devaluatie van de franc uitbleef en omdat ze de francs waarmee ze hun aanvallen uitvoerden, tegen een hoge rente moesten lenen.

Nu de rust aan het wisselkoersfront is teruggekeerd, komt ook het perspectief van een gemeenschappelijke Europese munt geleidelijk weer in beeld. Begin dit jaar is de 'tweede fase' van het tijdpad naar de economische en monetaire unie ingegaan en is het Europese Monetaire Instituut, de voorloper van de toekomstige Europese Centrale Bank, opgezet. De president van het EMI, de Belg Alexandre Lamfalussy, heeft onlangs gezegd dat de voorbereidingen voor de monetaire eenwording voorspoedig verlopen.

De vraag is: welke munten zullen in eerste instantie aan de monetaire unie deelnemen? Het verdrag van Maastricht staat 'twee snelheden' toen. Het heeft toelatingscriteria vastgesteld, die betrekking hebben op de omvang van het begrotingstekort en de staatsschuld, en op de hoogte van de rente en de inflatie. Verder bevat het verdrag een tijdsschema: in 1997 moet een meerderheid van de EU-landen aan deze criteria voldoen en, als dat niet het geval is, mag in 1999 iedere groep landen die aan de criteria voldoet, besluiten tot de stap van onlosmakelijk aan elkaar geklonken wisselkoersen.

Rekkelijken en preciesen proberen de interpretatie van het verdrag naar zich toe te trekken. Trichet behoort tot de preciesen: “Pacta sunt servanda”, zegt hij het Romeinse recht na. “In het verdrag hebben we duidelijke criteria, procedures en een tijdpad vastgelegd. We moeten de criteria toepassen, de procedures volgen en het tijdpad respecteren.”

Een discussiestuk van de Duitse regeringspartij CDU, waarin openlijk werd gepleit voor een Europese kerngroep van vijf landen (Duitsland, Frankrijk en de Benelux) zorgde eerder deze maand voor grote opwinding in diverse Europese hoofdsteden. Hoewel het ook over verregaande politieke samenwerking en integratie van buitenlands beleid ging, was het duidelijk dat een gemeenschappelijke munt de spil van deze kerngroep zou vormen. Het gevaar van zo'n expliciete afbakening is dat de uitgesloten landen ontmoedigd worden om aan te haken bij de kerngroep. Sommige landen - Denemarken, Ierland en na toetreding Oostenrijk - kunnen gemakkelijk voldoen aan de EMU-criteria. Andere landen - Spanje, Portugal, Italië - zouden ondanks hun inspanningen tot 'convergentie' toch buitengesloten worden of gedesillusioneerd hun aanpassingen kunnen opgeven.

“We moeten niemand buitensluiten”, zegt Trichet. “Het wil niet zeggen dat het gemakkelijk zal zijn of dat we soepel zullen zijn in de toepassing van de criteria van 'Maastricht'. Ik hoop dat het aantal landen dat aan de criteria zal voldoen, als het moment daarvoor is aangebroken, zo groot mogelijk zal zijn. Maar het zal nog een zware klus worden om de criteria na te leven.” Dan zegt hij: “Ik heb er overigens het volste vertrouwen in dat Frankrijk, Duitsland en Nederland aan de criteria zullen voldoen, in overeenstemming met hun convergentieprogramma's.”

Sinds begin dit jaar is de rente op de kapitaalmarkten internationaal omhoog geschoten. Trichet verklaart dit door het economische herstel, waardoor de vraag naar kapitaal toeneemt. “De Europese economie trekt krachtig aan. Van de drie economische blokken bevinden zich nu twee in een periode van sterk herstel. Tegelijkertijd is er een grote vraag naar kapitaal uit andere regio's: Azië, Latijns Amerika, de voormalige Sovjet-Unie. De stijging van de lange rente is deels het gevolg van deze vraag naar kapitaal.” Maar er speelt ook onzekerheid over inflatie. “Ik denk dat de inflatieverwachtingen niet helemaal overeenstemmen met de economische fundamenten. De centrale banken van de Europese Unie - zeker ook de Banque de France en De Nederlandsche Bank - zijn vastbesloten om iedere dreiging van inflatie de kop in te drukken. Dus voorzover de stijging van de lange rente het gevolg is van ongerechtvaardigde inflatieverwachtingen in de financiële markten, is het mogelijk dat de markten hun inzichten bijstellen en de huidige renteniveaus herzien.”

Trichet formuleert voorzichtig, zoals alle centrale bankiers doen. Verontschuldigend lachend besluit hij: “Ik denk dat Wim (Duisenberg) precies hetzelfde zou hebben gezegd.”

Kader: Raad van 'negen wijzen' bepaalt monetair beleid

Sinds januari 1994 wordt de Banque de France geleid door een Conseil de la politique monétaire. Deze Raad van negen 'wijzen' geeft de onafhankelijkheid van Frankrijks nationale bank gestalte. Aan het hoofd staat Jean-Claude Trichet (51), gouverneur van de Banque de France. Trichet heeft de monetaire politiek van Frankrijk als topambtenaar bij het ministerie van financiën helpen vormen voor regeringen van rechts en links. De gouverneur is civiel ingenieur, studeerde politieke wetenschappen en doorliep de befaamde bestuursopleiding aan de Ecole Nationale d'Administration (ENA). In de jaren '70 adviseerde hij president Giscard, daarna werkte hij voor de ministers van financiën Balladur, Bérégovoy, Sapin en Alphandéry, vanaf '87 als thesaurier-generaal. Trichet werd in '93 de hoogste man van de Banque de France, opvolger van Jacques de Larosière, die overhaast naar de Europese Ontwikkelingsbank moest om de puinhopen van president Mitterrands protégé Jacques Attali op te ruimen. De Banque de France, tot dan toe ondergeschikt aan het ministerie van financiën, kreeg niet lang daarna een onafhankelijke status.

Vaste leden van de Raad voor monetaire politiek zijn verder de twee onder-gouverneurs van de bank: Denis Ferman en Hervé Hannoun. De overige zes leden zijn gekozen om een spreiding van deskundigheid en politieke opvatting te waarborgen. Het zijn Michel Albert, oud-president van het genationaliseerde verzekeringsconcern AGF en schrijver van de economische bestseller over het 'Rijnlandse model'; Jean Boissonnat, financieel journalist met christelijk-moralistische achtergrond; Denise Flouzat, universitair macro-econome, gaullist (RPR) en tegenstander van 'Maastricht'; Jean-Pierre Gérard, oud-ambtenaar economische zaken en ondernemer; Bruno de Maulde, oud-ambtenaar financiën, oud-ambassadeur bij IMF, oud-directielid bank Paribas; Michel Sapin, oud-minister van justitie en later van financiën in socialistische regeringen.