Sergeant Rameau ziet van Haïti nu alleen het vliegveld

PORT-AU-PRINCE, 26 SEPT. Als knulletje van zes jaar verliet Adrien Rameau met zijn ouders Haïti om een nieuw leven te beginnen in de Verenigde Staten. Dertig jaar later, vorige week maandag om precies te zijn, keerde hij voor het eerst terug. Maar verder dan de luchthaven van Port-au-Prince is Rameau nog niet gekomen. De beminnelijke sergeant is één van de vele Amerikaanse militairen van Haïtiaanse afkomst die deel uitmaken van Operation Uphold Democracy. Rameau, die met zijn huidige tour of duty ten minste een half jaar in Haïti zal blijven, loopt sinds een week wacht langs de buitengrens van de met rollen scheermesdraad afgezette luchthaven van de Haïtiaanse hoofdstad.

De militairen van Haïtiaanse afkomst spelen een belangrijke rol in het contact tussen de invasiemacht en de plaatselijke bevolking. De in Fort Benning, Georgia, gelegerde Rameau, gehuwd met een Haïtiaans-Amerikaanse en vader van twee kinderen, is ingedeeld bij het 222ste infanteriedetachement van de 10de Bergdivisie uit Fort Drum, New York, die het overgrote deel van de troepen levert voor de operatie in Haïti. Met zijn vijftien jaar dienst in het Amerikaanse leger heeft hij ook deel uitgemaakt van de Amerikaanse troepenmacht in Somalië.

Op het vliegveld van Port-au-Prince ziet hij dagelijks de Haïtianen die met duizenden tegelijk flaneren langs het terrein en zich vergapen aan de indrukwekkende uitstalling van Amerikaans militair materieel. “Pas kanpe-la (doorlopen)”, roept Rameau in het Creools tegen de menigte als een opstopping dreigt te ontstaan voor de ingang van de luchthaven.

“Hey man, ze zijn heel erg blij dat de Amerikaanse soldaten hier zijn”, zegt Rameau enthousiast als hem wordt gevraagd naar zijn contacten met de Haïtianen aan de andere kant van het scheermesdraad. “Ze zeggen dat ze nu in alle vrijheid op straat kunnen lopen. Ze verheugen zich erop dat wij ons onder hen kunnen mengen”. Voorlopig mag dat nog niet. De situatie wordt door Rameau's superieuren nog als te gevaarlijk beoordeeld om de militairen met verlof de stad in te laten gaan. Daardoor heeft de in Brooklyn, New York, opgegroeide Rameau zijn 88-jarige grootmoeder nog niet kunnen opzoeken die hij vijftien jaar geleden voor het laatst zag. Zij woont in Pétionville, vlakbij de luchthaven, maar weet nog niet dat haar kleinzoon als Amerikaanse soldaat in het land is.

“Ik voel me nu verscheurd tussen het Amerikaan-zijn en mijn Haïtiaanse afkomst”, bekent Rameau. “Er komen al heel veel herinneringen terug aan mijn eerste kinderjaren in Haïti. Aan het eten, aan de spelletjes die we speelden”. Ter voorbereiding op zijn missie bracht Rameau vele uren door met het lezen van kranten en het volgen van nieuwsuitzendingen op t.v over Haïti. Hij ging ook naar de bibliotheek om geschiedenisboeken over zijn land van herkomst te bestuderen. “Er is een groot verschil tussen deze missie en de invasie van Amerikaanse mariniers in Haïti in 1915. De benadering is nu anders, beter. Kijk maar naar de inzet van Creools sprekende militairen. In 1915 was dat niet het geval”.

De militair Rameau loopt wacht bij een strategisch doelwit, de Amerikaan Rameau wil zo snel mogelijk terug naar wife and kids, maar de Haïtiaan Rameau verheugt zich op een nadere kennismaking met zijn land van herkomst. En vooral ook op de terugkeer van Jean-Bertrand Aristide, die immers ook een klein beetje zijn president is.