Maatschappij is maakbaarder dan sommige denkers denken

Het pleidooi van M. Bovens cum suis (NRC Handelsblad, 19 september) voor minder sturingspretenties en meer visie bevat een aantal belangwekkende aanbevelingen ter verbetering van de politieke besluitvorming. Met name de voorstellen voor nieuwe vormen van publieke verantwoording en vergroting van de invloed van de burger - wanneer hebben we dat overigens meer gehoord? - zijn de moeite van realisering waard. De analyse van de verplaatsing van de politieke macht is grotendeels juist, maar voor een deel niet nieuw en bovendien onvolledig.

Niet nieuw, omdat we bijvoorbeeld over de invloed van pressiegroepen en van de bureaucratie op de politieke besluitvorming al weten sinds Crince le Roy hierover in 1969 publiceerde. Dat het nog steeds voorkomt op de politieke agenda als op te lossen probleem, toont aan hoe moeilijk het verzet van dergelijke machten is te breken.

De analyse is niet volledig, omdat enkele maatschappelijke ontwikkelingen buiten beschouwing blijven die voor een herijking van publieke en particuliere verantwoordelijkheden van cruciaal belang zijn. Betrekken we die ontwikkelingen bij de analyse, dan zal blijken dat het niet zozeer gaat om minder sturingspretenties en meer visie, maar om een heldere visie op de taak van de overheid en haar sturingsaspiraties.

Allereerst is er de veronachtzaamde sociale ontwikkeling van het individualiserings- en emancipatieproces. In het jongste Sociaal en Cultureel Rapport wordt vastgesteld dat individualisering een autonome factor is in de moderne maatschappij. Dat proces heeft verregaande consequenties voor de verhouding tussen overheid en burger. Aan de ene kant wenst het individu zo weinig mogelijk bemoeienis van de overheid met zijn leven en leefomgeving, aan de andere kant wordt geëist dat noodzakelijk geachte overheidsinterventie zoveel mogelijk wordt afgestemd op de leefsituatie van het individu. De post-moderne leefstijl van de huidige burger vraagt enerzijds om overheidsonthouding, anderzijds om fijnmazige overheidsinterventie. In toenemende mate wordt van die overheid maatwerk verwacht: niet volstaan kan worden met algemene maatregelen, maar in het beleid moet steeds meer rekening gehouden worden met specifieke omstandigheden waarin specifieke mensen leven. Het gezin heeft als beleidsobject afgedaan en daarvoor in de plaats komt de individuele leefsituatie. Bij de verlening van bijstand komt dit bijvoorbeeld heel goed tot uiting.

Dat de samenleving er daarmee niet eenvoudiger op wordt, daarover kunnen we het eens zijn. Maar dat de toegenomen complexiteit van de samenleving voor de overheid steeds moeilijker 'kenbaar' wordt zoals Bovens c.s. ons willen doen geloven, is geen wetmatigheid: ook het wetenschappelijk onderzoek naar allerlei maatschappelijke processen en verschijnselen bedient zich van verfijnde en gevoeliger methoden en technieken. Dat de overheid daarbij de beschikking heeft over enkele onderzoeksinstituten om die beleidsrelevante informatie te vergaren kan alleen maar als een pré worden beschouwd. Kenbaarheid betekent evenwel niet automatisch maakbaarheid en daarmee kom ik op mijn tweede punt.

Het pleidooi voor minder sturingspretenties past wel in de tijdgeest, maar is ongenuanceerd en dreigt te verkeren in zijn tegendeel. Werd de maakbaarheid van de samenleving in de jaren zeventig overschat, thans dreigt onderschatting. De neiging is nu om veel taken te decentraliseren (alsof het lokale bestuur geen democratisch samengesteld orgaan is, maar een uitvoeringsorgaan van de centrale overheid) of te privatiseren zonder na te gaan welke taken des overheids zijn of behoren te zijn. De nu al een aantal jaren gevoerde discussie over de kerntaken van de overheid heeft weinig opgeleverd: een visie daarop is door de politici nog niet geventileerd. Tot nu toe beperkt men zich tot een bedrijfseconomische afweging (efficiency) in de afstoting van taken in plaats van aan te geven wat wél des overheids is.

Zo'n politieke visie moet er komen en moet aangeven op basis van welke opvattingen en argumentaties overheidsinterventies op nader te bepalen terreinen nu juist wel wenselijk en noodzakelijk zijn. Herijking van het klassieke interventie-motief van sociale rechtvaardigheid in het licht van de genoemde sociale ontwikkelingen zou bijvoorbeeld een aanknopingspunt kunnen bieden om interventies in de werking van het marktmechanisme te legitimeren. Zo'n visie zegt op grond van welke inhoudelijke argumenten de overheid op welke terrein haar bemoeienis staakt, op welke terreinen die wordt verminderd, maar ook op welke terreinen zij haar bemoeienis juist intensiveert. Die intensivering zal vooral plaatsvinden met het oog op de bestrijding van een aantal urgente en ernstige maatschappelijke problemen, zoals de hoge werkloosheid, de verhouding tussen actieven en niet-actieven, de dreigende tweedeling in de maatschappij en de verharding van sociale tegenstellingen, de segregatie, de ervaren onveiligheid van de leefomgeving, het milieu en dergelijke. Een dergelijke visie is kortweg aan te duiden met 'beleid-volgt-probleem'. Het is onontkoombaar dat uitwerking van die visie de nodige sturingspretenties met zich mee zal brengen.

Kortom: we hebben een overheid nodig die een op maat gesneden beleid voert uit een duidelijke, oplossingsgerichte visie. Meer visie op de sturingspretenties is meer dan noodzakelijk.