Loonmatiging: een premie voor niet-innoverende kneusjes; Hoogleraar Kleinknecht bepleit offensieve economische cultuur

AMSTERDAM, 26 SEPT. In 1980 ontmoette Alfred Kleinknecht op een conferentie enkele Amsterdamse economen die vonden dat hij goed in hun vakgroep paste. Hij was toen als junior onderzoeker werkzaam bij het Wissenschaftszentrum Berlin in West-Berlijn. Kleinknecht bedacht zich geen moment en vertrok naar Nederland. Vanmiddag hield Prof. Dr. A. Kleinknecht zijn oratie ter aanvaarding van het ambt van hoogleraar algemene economie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, onder de provocerende titel 'Heeft Nederland een loongolf nodig?' Zijn antwoord luidt kort maar krachtig: “Ja”.

Sinds hij in Nederland is, verbaast Kleinknecht zich over de monomanie van Nederlandse economen en politici. “Toen ik in 1980 de Nederlandse taal leerde”, zegt hij sarcastisch, “kwam ik erachter dat je hier vooral drie woorden moet kennen om aan elk gesprek deel te kunnen nemen: loonmatiging, bezuiniging en overheidstekort.”

Zelf komt hij uit een meer offensieve, innovatieve economische cultuur. “Ik bracht mijn jeugd door in Baden-Württemberg”, zegt Kleinknecht, die behalve hoogleraar Industrial Economics ook directeur is van het Economisch en Sociaal Instituut van de VU. “Ik bezoek dat land nog regelmatig en elke keer weer valt het mij op hoeveel daar gebouwd wordt. Baden-Württemberg straalt een enorme dynamiek uit. Daarmee vergeleken zijn de Nederlanders uitermate statisch.”

Kleinknechts theorie is simpel en empirisch onderbouwd. Nederland is volgens de hoogleraar in de afgelopen twintig jaar één van de armere en structureel zwakkere landen van de Europese Unie geworden omdat loonmatiging zwakke ondernemers in het zadel hield die er eigenlijk uitgeworpen dienden te worden. “Nederland heeft wel goede ondernemers”, aldus Kleinknecht, “maar het zijn er te weinig. Bovendien bevordert de Nederlandse overheid met haar regime van loonmatiging zwak ondernemerschap en bevoordeelt zij de kneusjes. Die kunnen het dank zij de loonmatiging nog even uitzingen. Ze worden niet gedwongen om zich aan te passen. Innoveren kost geld. Waarom zouden ze dat doen als het niet hoeft? Intussen wordt de Nederlandse economie steeds zwakker en komt de betaalbaarheid van de welvaartsstaat steeds meer in het geding.”

Kleinknecht pleit in tegenstelling tot het krimpbeleid (loonmatiging, bezuiniging) voor een dynamisch beleid van loonstijging, innovatief ondernemerschap en creatieve destructie. Dat laatste begrip ontleent hij aan het werk van de Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph A. Schumpeter. “Stel”, zegt Kleinknecht, “dat de Nederlandse vakbeweging dit jaar een looneis van 6 procent zou stellen. Alle aanhangers van loonmatiging zouden dan meteen roepen dat dit werkgelegenheid kost. En ze zullen zich ondersteund weten door de faillissementsgolf die op de hogere lonen volgt. Wat ze niet zien is dat faillissementen vanuit het perspectief van Schumpeter een positieve uitwerking hebben. Innovatieve bedrijven kunnen het marktaandeel van hun failliete zwakke broeders overnemen. Omdat zij produktiever zijn kunnen zij dezelfde markt met minder personeel bedienen. Dat kost op het eerste oog werkgelegenheid. Anderzijds leiden hogere lonen tot meer koopkracht en dus tot grotere afzet. Waardoor de werkgelegenheidsgroei juist wordt gestimuleerd.”

Als voorbeeld noemt Kleinknecht zijn moederland Duitsland. “Sinds ik hier in Nederland woon”, zegt hij, “valt het mij op dat de Duitse vakbonden altijd hogere looneisen stellen dan de Nederlandse. Ze stellen die looneisen niet alleen, ze zetten ze ook door. Bovendien worden die hogere lonen via een stringent systeem van algemeen-verbindendverklaring van CAO's aan alle werkgevers opgelegd. Volgens de argumenten van de Nederlandse loonmatigers zou de Duitse industrie al lang failliet moeten zijn. Maar wat zie je? Die Duitse industrie is juist veel sterker dan de Nederlandse. De Duitse industrie exporteert meer hoogwaardige kennisintensieve produkten en is daardoor niet zo kwetsbaar voor concurrentie uit lage-lonenlanden als de Nederlandse.”

Een beleid van lage lonen, oogluikend toestaan van prijskartels, afschaffing van de algemeen-verbindendverklaring van CAO's, lage uitkeringen en een slap milieubeleid bevoordelen volgens Kleinknecht “de niet innoverende kneusjes in het bedrijfsleven. Die kunnen zich door zo'n beleid nog wat langer teweer stellen tegen de innovatoren die op hun marktaandeel jagen.”

Unieke, moeilijk imiteerbare produkten leiden volgens Kleinknecht tot hogere winstmarges. Om die produkten te kunnen ontwikkelen moet aan onderzoek en ontwikkeling worden gedaan. Daarvoor is kennis nodig en die zit in belangrijke mate in de hoofden van mensen. Slimme werkgevers willen die mensen niet kwijtraken. En dat is volgens hem dan ook de verkaring waarom deze innoverende bedrijven hun personeel bovenop het normale loon een 'blijfpremie' betalen, in de vorm van extra loon, aandelen, of andere secundaire arbeidsvoorwaarden.

Bedrijven die veel aan onderzoek en ontwikkeling doen, zo wees empirisch onderzoek van Kleinknecht uit, betalen niet alleen gemiddeld hogere lonen. Ze exporteren ook meer, zijn winstgevender en creëren meer werkgelegenheid, waarbij de kwaliteit van de banen beter is. “Wanneer de politiek niet toegeeft aan de lobby van laagtechnologische bedrijven, die om lastenverlichting en loonmatiging brult, worden ondernemers wel gedwongen hun bedrijfsstategie te wijzigen.”

De laag-technologische, weinig innovatieve ondernemers zijn volgens Kleinknecht in Nederland echter in de meerderheid. “Hun lobbyisten bij de werkgeversorganisaties hebben een forse invloed op de politiek met hun pleidooien voor loonmatiging en lagere uitkeringen. Bange ondernemers hebben bange vertegenwoordigers”, zegt hij.

Door een verkeerd sociaal-economisch beleid wordt de technologische basis van het Nederlandse bedrijfsleven steeds smalle, aldus Kleinknecht. In de Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Zweden en Zwitserland, die binnen de OESO, de club van rijke landen, een innovatieve kopgroep vormen, bedragen de bedrijfsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling 1,5 a 2 procent van het bruto binnenlands produkt. In Nederland is dat percentage gedaald van 1,4 procent in 1987 naar 1 procent nu. Extra zorgwekkend is volgens Kleinknecht dat de achterstand op meer innovatieve landen de laatste jaren is gegroeid. En de overheid doet er niets tegen. Integendeel: ze bezuinigt op het technologiebeleid.

Een ontnuchterende grafiek in de vorig jaar zomer verschenen nota Concurreren met kennis wijst uit dat het technologiebudget van de Nederlandse overheid in de periode 1991-'93 met 7,7 procent is gedaald, terwijl vergelijkbare budgetten van bijvoorbeeld de Franse, Duitse, Noorse en Zwitserse overheden toenamen met respectievelijk 5,1, 9,6, 11,8 en 12,6 procent.

Met name in het midden- en kleinbedrijf vallen in Nederland grote klappen. “Er komen elk jaar wel duizenden nieuwe bedrijven bij”, zegt Kleinknecht, “maar de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling nemen in absolute zin niet toe, zodat de technologische intensiteit bij het midden- en kleinbedrijf afneemt.”

Het innovatie-stimuleringsbeleid van Economische Zaken werkt volgens Kleinknecht “behoorlijk goed”. Hij noemt de innovatiecentra, die kleinere bedrijven bijstaan in hun jacht op kennis en de technische ontwikkelingskredieten (TOK). De inmiddels afgeschafte Innovatie stimuleringsregeling (INSTIR) werkte volgens de hoogleraar ook prima. “Wij hebben die regeling voor het ministerie empirisch getoetst. Ons rapport was amper uit of de subsidie werd om bezuinigingsredenen afgeschaft. Nogal kortzichtig vind ik dat. Kennelijk hebben de innoveerders niet zo'n grote lobby achter zich als de loonmatigers. En naarmate de innovatieve basis van het Nederlandse bedrijfsleven afkalft, wordt hun lobby alleen maar zwakker.”

Het goede beleid is er dus nog wel, maar volgens Kleinknecht “wordt het doorkruist door het sociaal-economisch, op loonmatiging gerichte, beleid van onder meer het ministerie van sociale zaken. De Nederlandse welvaartsgroei wordt volgens hem onnodig beperkt door een complot tussen zwakke ondernemers, hun lobbyisten en de overheid.

In navolging van Schumpeter maakt de hoogleraar onderscheid tussen de Wirt, beheerder van bestaande structuren, en de Unternehmer die bestaande structuren wil doorbreken. “Nederland heeft te veel Wirten en te weinig echte ondernemers”, vindt Kleinknecht. “En daaraan is het cliëntelisme in de politiek mede schuldig. Politiek bedrijven is toegeven aan pressiegroepen. Vanuit dat perspectief is het op loonmatiging, bezuiniging en lastenverlichting gerichte beleid van het kabinet-Kok een concessie aan het niet-innoverende bedrijfsleven.”