'Laat vriendschap helen wat grenzen delen'

Steeds meer Nederlanders vinden dat Duitsers vijftig jaar na de oorlog aan herdenkingen in Nederland zouden moeten kunnen deelnemen. Alle Duitsers van toen op één hoop te vegen wordt onjuist gevonden. Ook moeten Nederlanders eerlijker over zichzelf zijn. “Als wij de deportatie en vernietiging van de ruim honderdduizend Nederlandse joden willen herdenken, moeten we ons er rekenschap van geven dat dat niet alleen het werk van Duitsers is geweest.”

Tussen Beek aan de Nederlandse en Zyfflich aan de Duitse kant is geen grenspost meer. De wacht- en douanehuisjes aan de weg van Nijmegen naar Kleef liggen er verlaten bij, de ruiten zijn ingegooid sinds er geen controles meer zijn. Toch is er in dit gebied nog veel wat aan het verleden, vooral aan dat van vijftig jaar geleden, herinnert.

In het afgelopen weekeinde trokken honderdveertig Duitsers, inwoners van de stad Kleef van wie het overgrote deel katholiek is, naar Nijmegen voor een gemeenschappelijke, Duits-Nederlandse oorlogsherdenking. Voordat ze daar aankwamen, gingen ze naar het Britse oorlogskerkhof, de Reichswald Forest War Cemetery. Onder de tekst Their name liveth for ever more liggen ruim 7.500 niet alleen Britse en Canadese, maar ook Australische, Nieuwzeelandse en Poolse militairen begraven, van wie ruim de helft tot de geallieerde luchtmacht behoorde. Onder hen ook één Nederlander: J.P. van der Linde, een airgunner van de Royal Air Force die op 7 oktober de dag van de verwoesting van de stad Kleef is omgekomen.

Op de begraafplaats ontmoet ik de 71-jarige Engelse oorlogsvlieger Ray Hamley. Een halve eeuw geleden, op 17 september 1944, de dag van de Britse en Amerikaanse luchtlandingen in Nederland, heeft hij de katholieke Unterstadtkirche van Kleef gebombardeerd en met de grond gelijk gemaakt. Hamley legde hier een krans voor zijn gesneuvelde kameraden. Hij doet dat vandaag ook op de Duitse begraafplaats in Donsbrüggen. Achter een hoge, zandstenen muur liggen op deze Kriegsgräberstätte bijna tweeënhalfduizend burgerslachtoffers van de 'eindstrijd' die in het najaar van 1944 en vooral in februari 1945 in dit gebied is gevoerd. Het ging hier toen om de Britse en Canadese troepen zich in het kader van de operatie-Veritable vanuit de regio Nijmegen een doortocht bevochten naar Wesel aan de Rijn en vandaar naar midden-Duitsland.

Hamley, een gepensioneerde leraar, voelt zich schuldig. Tien jaar geleden heeft hij zich in Kleef gemeld en daar vergeving gevraagd voor wat hij de bevolking met zijn bommen had aangedaan. En nu een aantal Klevenaren naar Nijmegen ging om daar hetzelfde te doen, wilde hij er ook bij zijn. De bijeenkomst in Nijmegen was georganiseerd door de Valkhof-vereniging en door Friedrich Leinung (61), pastoor van de parochie van de Kleefse Unterstadtkirche. Hij vindt dat Duitsers Nederlanders om vergeving moeten vragen voor het leed dat zij hen in de oorlog hebben aangedaan. “In andere landen, bijvoorbeeld in Polen, hebben we dat wel en duidelijk gedaan. Maar in Nederland niet. Dat is ook de schuld van mijn generatie.” Ook in Nederland moet om vergeving worden gevraagd, aldus Leinung, “en ik doe dat hiermee. Iets te laat, maar beter laat dan nooit zoals wij van mister Ray Hamley die bij ons om vergeving vroeg, hebben geleerd”.

Over wat vergeving inhoudt in christelijke zin, was zaterdag in Nijmegen nog geen consensus. Volgens de Nederlandse pastoor Gerard Thuring uit Groesbeek bestaat er geen recht op vergeving. “Je moet maar afwachten of je die krijgt of niet. Het is puur een kwestie van genade van de goede God.” Maar een Duitse mevrouw wier moeder in 1944 is omgekomen in de vuurzee van het bombardement op Emmerich vindt het nu wel welletjes. “Wij Duitsers hebben geboet voor onze schuld. Of dat genoeg was, weet ik niet. Maar wel dat het nu uit moet zijn. Als wij om vergiffenis vragen, moet die ons gegeven worden.”

Prins Bernhard heeft onlangs verklaard geen bezwaar te hebben tegen Duitse aanwezigheid bij de vijftigste herdenking van de Duitse capitulatie in 1995. Evenzo sluit minister-president Kok Duitse deelname aan de vijftigste viering van de bevrijding op 5 mei niet uit. Voor burgemeester E. d'Hondt van Nijmegen, die in 1944 in Oostburg in Zeeuws-Vlaanderen is geboren en in de wieg een deel van de oorlog heeft meegemaakt, zijn Duitsers in het algemeen best welkom, maar beslist niet op 4 en 5 mei. “Zolang er in Nederland nog joodse oorlogsoverlevenden en oud-verzetsmensen zijn, kan er van een gemeenschappelijk herdenken met Duitsers erbij, natuurlijk geen sprake zijn.”

Met de pelgrimage van pastoor Leinung en de zijnen was d'Hondt echter bijzonder ingenomen. “Laat vriendschap helen, wat grenzen delen”, zegt hij, “en laten we beseffen dat er aan beide kanten van de grens veel slachtoffers waren en dat daarover bij overwinnaars en overwonnenen hetzelfde verdriet bestaat. Vandaar dat de Duitse uitgestoken hand in Nijmegen met achting wordt aanvaard.”

De Nijmeegse burgemeester wil het herdenken op een ander vlak tillen. Net als zijn Arnhemse collega P. Scholten is hij van mening dat men niet alle Duitsers van toen en nu op één hoop mag vegen en mag beoordelen op wat destijds is gebeurd. Terwijl Scholten vindt dat blijven oordelen “het zaaien van nieuw gif zou zijn”, meent d'Hondt dat zich van Nederlanders van alle generaties zoiets als een anti-Duitse traditie heeft meester gemaakt. “Vijftig jaar lang is, bijvoorbeeld in de geschiedschrijving van L. de Jong, een scherp onderscheid tussen goed en fout gecultiveerd en is een anti-Duitse mentaliteit in stand gehouden. Je merkt dat aan het feit dat het in Nederland in de privé-sfeer beslist heel ongebruikelijk is elkaar te corrigeren als er grappen en grollen over Duitsers worden gemaakt. Ogenschijnlijk bestaan er, bijvoorbeeld op bestuurlijk gebied, wel goede verhoudingen met Duitsers en Duitse instanties, maar de oorlog is een groot taboe. Over alles kan worden gesproken, over de Betuwelijn enzovoort, maar daarover niet. Ik zou het niet in mijn hoofd halen mijn collega van Duisburg die wat ouder is dan ik, naar zijn oorlogsherinneringen te vragen.”

Burgemeester d'Hondt hoort bij een klein gezelschap dat zich onder leiding van de Nijmeegse historicus prof.dr. J.L.J. Bosmans beijvert voor een andere manier van herdenken - vooral nu de vijftigste nationale bevrijdingsherdenking en -viering in zicht is. Tot het gezelschap horen ook de Duitse hoogleraar H. Lademacher (directeur van het Zentrum für Niederlandestudien aan de Wilhelms-Universiteit in Münster) en de Amsterdamse historicus prof.dr. J.C.H. Blom. Ook de Nederlandse ambassadeur in Bonn, A.P. van Walsum, maakte er deel van uit. Hij vindt dat Nederlanders eerlijker zouden moeten zijn bij hun herdenkingen. “Als wij de deportatie en vernietiging van de ruim honderdduizend Nederlandse joden willen herdenken, moeten we ons er rekenschap van geven dat dat niet alleen het werk van Duitsers is geweest. In de zomer van 1940 genoten wij van de zon op onze terrasjes en de ariërverklaring waarin men bevestigde dat men vrij van joods bloed was, werd in die tijd door praktisch alle Nederlandse ambtenaren getekend. Aan de deportatie van de joden, die kort daarna begon, werd door het Nederlandse politie- en spoorwegpersoneel zonder merkbaar protest meegewerkt. Ondertussen hadden ruim 20.000 Nederlandse jongeren vrijwillig dienst genomen in de Waffen-SS.”

Voor prof. Bosmans en burgemeester d'Hondt is het vooral de vraag “hoe we het herdenken zinvol kunnen houden nu de nationale grenzen door de voortschrijdende europeanisering lijken te vervagen”. Vier maanden geleden werd daarover in Nijmegen de conferentie 'De zin van herdenken' gehouden. Lademacher betoogde toen onder meer dat Nederlanders nog het vermogen missen om te erkennen dat niet alleen zij, maar ook hun Oosterburen gedurende de oorlogsjaren veel geleden hebben. Ook bij hen bestond een constante bedreiging van het dagelijks leven en heerste er voortdurende onderdrukking. Blom signaleerde op dezelfde bijeenkomst dat het gevaar bestaat dat 4- en 5 mei-bijeenkomsten verworden zijn “tot loze rituelen, verplichte nummers die in de loop der tijd steeds minder zeggingskracht hebben” en wees er ook dat Nederlanders waar het om heldhaftigheid in oorlogstijd gaat bescheidenheid past. De Amsterdamse historicus stelde daarom, zonder overigens de traditionele herdenkingen te willen afschaffen en zonder dat men daar op een “buitengewoon onsmakelijke” manier Duitsers bij haalt, tot een jaarlijks 'Nationaal Herdenkingsdebat' te komen over onderwerpen als burgerzin of vreemdelingendiscriminatie of desgewild over de relatie tussen Nederland en Duitsland.