Kloof tussen 'informatierijken' en 'informatiearmen' blijft groeien

De mythen over de elektronische snelweg vertroebelen het zicht op de toekomst van onze maatschappij. Jan A.G.M. van Dijk signaleert dat beslissingen over onze toekomstige samenleving feitelijk worden genomen in de burelen van AT&T, IBM, Time Warner, Bertelsmann, Philips en niet in Den Haag of in Brussel.

In korte tijd is de elektronische snelweg een hype geworden. Dit is het overdreven aanprijzen van een bepaald produkt waarvan de kwaliteit nog moet blijken. Mythevorming is een deel hiervan. De elektronische snelweg is bezaaid met mythen. Zij vertroebelen de discussie over de perspectieven van hetgeen wel eens het zenuwstelsel van onze toekomstige maatschappij wordt genoemd.

De eerste mythe is de uitdrukking zelf: de elektronische snelweg. Er komt niet een, maar er komen meer snelwegen naast elkaar. Minimaal twee, maar waarschijnlijk drie, vier of meer. De KPN heeft verklaard dat zij in het jaar 2000 haar glasvezelkabels zal hebben doorgetrokken tot aan huis. De kabelbedrijven, die in hoog tempo samengaan, willen hun netwerken geschikt maken voor tweewegverkeer. KPN mag waarschijnlijk omroep gaan verzorgen en de kabelbedrijven telefoon. Ook kan de consument waarschijnlijk nog kiezen voor een of meer draadloze verbindingen die eveneens telefoon, omroep en informatiediensten kunnen bieden.

Meer snelwegen naast elkaar in het vervoer zou absurd zijn. Meer elektronische snelwegen naast elkaar, die hetzelfde kunnen, betekenen in elk geval een maatschappelijke verspilling. Ook als zij onderling verbonden worden. De heilzame werking van concurrentie kan dit niet compenseren. Deze concurrentie is ook voor een groot deel een mythe.

Tot 1991 baseerde het Nederlandse regeringsbeleid zich op het advies van de commissie-Zegveld. Er zou een enkele infrastructuur komen onder de hoede van de PTT, in samenwerking met de kabelbedrijven. De liberalisering van de communicatiesector en de angst voor de monopoliepositie van de PTT wijzigden het beleid. In feite liet de overheid haar zorgfunctie voor de infrastructur van communicatie vallen om deze over te laten aan de markt. Daarmee gaf zij de belangrijkste troef uit handen als het gaat om de aanleg en inrichting van elektronische snelwegen. Dit is merkwaardig. Bij de spoorwegen en de elektriciteitsvoorziening wordt wel gekozen voor een gelijke infrastructuur. Op deze basis worden concessies verleend en diensten aan de vrije markt overgelaten. Eenzelfde benadering voor de communicatiesector, een infrastructuur aanbesteed door de overheid met daarop geliberaliseerd beheer, transport en dienstverlening, had veel problemen kunnen voorkomen.

Een tweede mythe is de vrije concurrentie in deze sector. Er is geen sprake van de overgang van publieke monopolies in telefonie en omroep naar volledig vrije concurrentie. Het gaat van publieke monopolies naar private oligopolies (beheer door weinigen). Grote bedrijven in tele-, data- en massacommunicatie zijn massaal aan het overnemen en fuseren. Achter de schermen gebeurt in Nederland hetzelfde als in de VS. KPN heeft een aandeel van 76 procent in de grootste kabelexploitant Casema. Zij is tevens samenwerkingsverbanden aangegaan met Philips Media en video-op-aanvraag-bedrijven om diensten voor de snelweg te ontwikkelen. De kabelexploitanten versnellen de concentratie, zij zoeken samenwerking en ontwikkelen dezelfde diensten voor hun komende tweeweg-kabel. Wie denkt dat deze concurrentie leidt tot een goedkopere telefoon en kabel zal bedrogen uitkomen. Beide zullen duurder worden, met als legitimatie dat men hiervoor meer diensten ontvangt.

De oligopolies in de telecomsector staan bekend om strategisch gedrag. Op sommige punten concurreren zij, op andere werken zij samen met hun concurrenten of verdelen zij de markt. Zo is het mogelijk dat de snelweg van de kabelbedrijven zich gaat specialiseren in video-op-aanvraag en informatiediensten als de kabelkrant. De KPN-snelweg zal waarschijnlijk uitblinken in geavanceerde communicatiediensten. De meeste consumenten zullen gedwongen worden zich te blijven abonneren op beide verbindingen, die technisch gezien hetzelfde kunnen leveren.

De derde mythe is de veronderstelling dat de elektronische snelweg er nog moet komen en dat men deze zou kunnen tegenhouden. De genoemde snelwegen zijn al in aanbouw. Er zijn nog wel miljarden nodig om deze breed genoeg te maken (telefoon) of tweezijdig (kabel) en om nieuwe interactieve diensten te ontwikkelen.

Het perspectief van een ongebreidelde keuzevrijheid is een andere mythe. In het geding zijn juist alle mogelijke aspecten van communicatievrijheid. Een eerste gevaar zou kunnen komen van de oligopolies. Zij worden de sluiswachters van de elektronische snelwegen. Wanneer zij beheerder, transporteur en dienstenaanbieder tegelijk zijn op hun eigen snelweg wordt de verleiding om hier misbruik van te maken wel erg groot. Het volgende voorbeeld is een teken aan de wand. BBC-World Service Television wordt geweerd van de Amerikaanse kabel. De twee grootste kabelbedrijven in de VS (TCI en Time Warner) zijn voor 20 procent eigenaar van Turner Broadcasting (CNN). Is dit toeval?

Een alternatief is het snel populair wordende Internet. Dit is breed toegankelijk en erg goedkoop. De kans is groot dat deze aanzet tot een publieke elektronische snelweg opgeslokt zal worden door een van de commerciële snelwegen, mogelijk met het argument dat het Internet de concurrentie vervalst.

Ook de privacy is in het geding. De vraag naar diensten wordt centraal geregistreerd tesamen met elementaire persoonsgegevens. De Nederlandse overheid heeft te kennen gegeven in principe toegang te willen hebben tot alle communicatie op de snelwegen. Een verbod op vrije encryptie (de codering van eigen berichten) dreigt nog steeds.

De grootste mythe is de gedachte dat de gemiddelde consument een behoefte heeft aan de elektronische snelweg. Bij bedrijven en professionals is deze behoefte er zeker. De nieuwe media hebben de gewone consument echter nog nauwelijks kunnen bekoren. Die is redelijk tevreden met de bestaande, tamelijk goedkoop te verbeteren verbindingen en met de snel ontwikkelende apparatuur in eigen beheer (zoals CD-ROM en CD-I). Bij de elektronische snelwegen gaat het vooral om de vervanging van oude door nieuwe wegen. Video-op-aanvraag vervangt voor een deel de videotheek en de omroep. De kabelkrant is een gedeeltelijke vervanging van de gedrukte krant. Het moet nog blijken dat de consument massaal gaat kiezen voor nieuwe diensten op het gebied van informatie en ontspanning die op afstand geleverd worden.

De mythe van een ongekende keuzevrijheid zal ook doorbroken worden in de praktijk van de gemiddelde consument. Men moet maar in staat zijn te kiezen uit de aanstormende overdaad van produkten. Het gaat hier om informatie en communicatie. De vaardigheid van gericht informatiezoeken en communiceren is ongelijk verdeeld onder de bevolking. Natuurlijk komt er software om ons te helpen kiezen. Maar ook met deze hulp zullen de keuzen van de doorsneeconsument niet zoveel afwijken van de bestaande. Het aanbod werkt dit in de hand. De komst van een groot aantal commerciële radio- en televisiezenders heeft geleid tot een verbreding van het bestaande aanbod (meer van hetzelfde) en een nieuw aanbod van specialistische zenders voor weinigen. Een groot gevaar voor de communicatievrijheid is dat de kloof tussen 'informatierijken' en 'informatiearmen' wordt vergroot. De hoogopgeleiden en zakelijke gebruikers profiteren naar verhouding veel meer van de nieuwe media.

Daarmee komen we bij een laatste mythe: dat de elektronische snelweg toegankelijk wordt voor iedereen, het credo van Al Gore. Zijn principes voor de aanleg hiervan (privé-investeringen, concurrentie, regulering en open toegang voor producenten en consumenten) staan op gespannen voet met elkaar. Het is twijfelachtig of elke Amerikaan en elke Amerikaanse school aangesloten gaan worden op een snelweg als er niet meer overheidsinspanningen komen dan de regering Clinton nu in het vooruitzicht stelt. Kabel en telefoon zijn in de VS nu al zo duur dat circa 15 procent van de Amerikanen buiten de boot valt.

In beginsel kunnen de elektronische snelwegen een grote vooruitgang betekenen voor de maatschappelijke communicatie en informatievoorziening. Daarvoor moet wel het een en ander gebeuren. De overheid moet snel zorgen voor basisregulering en de garantie van basisvoorzieningen. De communicatiebedrijven dienen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid waar te maken door een discussie aan te zwengelen. Het is triest te moeten constateren dat de Nederlandse politici steeds verder achter de technologische en economische feiten aanlopen. Zij denken de zaken zeker achteraf wel op orde te kunnen brengen. In feite worden de beslissingen over onze toekomst op dit moment genomen in de burelen van AT&T, IBM, Time Warner, Bertelsmann, Philips. Silicon Graphics en de bovengenoemde Nederlandse bedrijven. Niet in Den Haag en ook niet in Brussel.

De allerlaatste mythe is die van de deregulering. De ontwikkeling in deze sector gaat in de richting van meer regels, niet minder. Daar kunnen de reguleringsinstanties van de VS en Groot-Brittannië, over meepraten. Privatisering en liberalisering maken het noodzakelijk een sector te reguleren waarin alles met elkaar samenhangt en grote maatschappelijke belangen en de communicatievrijheid van het individu op het spel staan.