Hardvochtige werkgevers

Het enige scherpe conflict over de Troonrede had te maken met de acties van het kabinet tegen de werkloosheid. Zoals bekend wil minister Melkert 40.000 laag betaalde banen opzetten in de bejaardenzorg, assistentie voor de politie, en bij het openbaar vervoer, maar VNO en NCW diskwalificeren zulk werk als 'kunstbanen'. En komt de vakbeweging met soortgelijke ideeën om langdurig werklozen kans te geven op werkervaring dan wijzen de werkgeversorganisaties VNO, NCW en KNOV ook dat rigoureus af: “Het gebruik van uitkeringsgelden om werklozen aan het werk te krijgen is niet juist.” Werkgevers zijn bevreesd dat nieuwe bedrijvigheid met behulp van subsidies uit uitkeringsgelden leidt tot concurrentievervalsing. Sinds kort keren VNO en NCW zich ook tegen de 'banenpools' en eisen scherpe restricties op de inzet van uitkeringsgelden. Dat mag alleen voor korte duur, als overbrugging naar een al bestaande, vaste baan.

VNO en NCW verklaren stellig: “Er is een betere weg om banen te creëren. De loonkosten en de uitkeringen moeten omlaag”. Ik noem dat een hardvochtig standpunt en misschien zijn zelfs een of twee werkgevers het daarmee eens wanneer ze zich realiseren hoe de opstellng van VNO en NCW zou klinken wanneer we die ook eens gaan toepassen op het gebruik van collectieve middelen in een richting die werkgevers nader aan het hart liggen, namelijk subsidies voor het ontwikkelen van nieuwe technologie. Stel u voor dat we alle subsidies voor research en technologiebeleid zouden afschaffen omdat die in het verleden toch maar hebben geleid tot verspilling (het Jessi-project bij Philips), leiden tot verstoring van de marktwerking, en bovendien worden verstrekt door ambtenaren op Economische Zaken die er geen weet van hebben wat het is om risico te nemen en echt ondernemer te zijn. En stel u voor dat we dan de bedrijven eraan herinneren dat er ook hier een betere weg is, namelijk efficiënter management van de research, afstoten van verliesgevende activiteiten en zonodig lagere salarissen voor de directeuren. En stel u voor dat we ten slotte de ondernemers erop zouden wijzen hoe onlogisch het is om werknemers bij Ahold meer belasting te laten betalen om der wille van technologische subsidies aan Philips. Als wij Nederlanders succesvoller zijn als internationale kruideniers dan als industriëlen, waarom moet de overheid dan met subsidies die realiteit loochenen?

Alle argumenten tégen pogingen om langdurig werklozen weer bij de werkende maatschappij te betrekken, gelden even hard tegen de voorstellen, zo vertrouwd in kringen van werkgevers, om extra belasting te heffen ter wille van subsidies voor nieuwe technologie bij bedrijven. Waarom kunnen dan de heren Rinooy Kan (VNO) en Blankert (NCW) zo gloedvol spreken over technologiebeleid en tegelijkertijd eisen dat op de arbeidsmarkt uitsluitend lagere lonen en lagere uitkeringen gepast zijn? Werkgevers hebben slechte herinneringen aan 'banenplannen', associëren het woord alleen al met Den Uyl, en zijn bang dat uitvoering terecht komt bij fantasieloze gemeentelijke instanties. Bovendien - en dat is in de praktijk nog belangrijker - weten werkgevers dat om geheel andere redenen hun sociale partner, de vakbeweging, ook reserves plaatst bij subsidies op arbeidsplaatsen. De vakbeweging hanteert een beeld van de arbeidsmarkt waarin de totale hoeveelheid werk in het bedrijfsleven gegeven is, en wil dan die vaste hoeveelheid zo goed mogelijk verdelen over iedereen die wil werken, met de eigen leden van de vakbeweging uiteraard vooraan in de rij. Vandaar dat de vakbeweging groot voorstander is van werk met behoud van uitkering in de plantsoenendienst, bij de gemeentelijke drukkerij, of ter assistentie bij het openbaar vervoer, maar niet graag ziet dat er subsidies komen op arbeidsplaatsen in het bedrijfsleven. Dat zou bestaand werk “verdringen”, de term die altijd weer terugkeert in de kritiek van zowel vakbeweging als werkgevers op een banenplan voor de private sector.

De angst van de vakbeweging is misschien begrijpelijk, maar toch misplaatst. Vierhonderd jaar geleden migreerden tienduizenden Vlamingen na de val van Antwerpen naar de noordelijke Nederlanden. Leidde die massale immigratie - naar verhouding op een veel grotere schaal dan ooit in de meer recente Nederlandse geschiedenis - tot verdringing van de Hollanders uit hun banen, of vormde die de Dageraad der Gouden Eeuw? De tentoonstelling in Amsterdam bevestigde de analyse van de economische historici: uitbreiding van de arbeidsmarkt met nieuwe werkers is gunstig voor een economie. Aanbod creëert vraag, zo leren wij onze studenten.

Een hardvochtige opstelling van de werkgevers, in combinatie met de angst van de vakbeweging dat gesubsidieerde arbeidsplaatsen in de private sector leiden tot minder kansen voor de eigen leden, vormt een rampzalige rem op een effectief arbeidsmarktbeleid. Overal in het land zijn de besturen van de regionale arbeidsvoorzieningen verlamd door precies dit conflict. Werkgevers willen geen banenplan; de vakbeweging is tegen verdringing van de leden en de onafhankelijke voorzitters van de regionale arbeidsbureaus staan machteloos. Het treurig resultaat: ondanks een verwachte hoge economische groei en verstandige fiscale voornemens van het paarse kabinet, is er nog steeds heel weinig hoop voor de Nederlandse langdurig werklozen.

Zelfs in de Verenigde Staten is het arbeidsmarktbeleid hier en daar creatiever dan in Nederland. Luister naar gouverneur William Weld van Massachusetts: “Het is makkelijk om een banenplan belachelijk te maken, maar we moeten er niet op neer kijken, want het kan zorgen voor werkervaring, nuttige vaardigheden, voor een maatschappelijk netwerk en voor het herstel van zelfrespect. Voor mij is het belangrijkste aspect van ons banenplan dat het de dagelijkse routine van de deelnemers zal veranderen [..] Door het isolement van veel bijstandsontvangers ontwikkelen die ernstige problemen met hun zelfrespect en wordt het moeilijker en moeilijker voor hen om weer bij te dragen aan de maatschappij. Dat is de negatieve spiraal die we willen doorbreken [..] Training en scholing zijn ook prachtig, maar ik ben ervan overtuigd dat de beste voorbereiding voor werk niet bestaat uit denken over werk of praten over werk of studeren op werk of zelfs trainen voor werk - de beste voorbereiding is werk.”

Deelname in het veel grotere banenplan dat ik hier bepleit moet verplicht zijn; wie niet meedoet verliest recht op een uitkering. In 1982 kwam de toenmalige minister André van der Louw al met soortgelijke ideeën - zijn tuin werd omgespit door boze demonstranten. Nu groeit een consensus dat bij een uitkering niet alleen rechten maar ook plichten behoren en dat kolossale menselijke en economische verspilling dreigt wanneer zoveel Nederlanders maar thuiszitten met een bevroren uitkering. Een groot banenplan zal niet de eerste keer precies lukken en vereist in ieder geval meer inschakeling van de commerciële uitzendbureaus met hun grote expertise op de arbeidsmarkt. Maar op dit moment stuit zelfs de eerste, bescheiden, poging van het nieuwe kabinet op harde onwil van de werkgevers. Herhaaldelijk merkte de OESO al op dat het Nederlandse actieve arbeidsmarktbeleid achterblijft bij andere Europese landen. Nu zelfs bij Massachusetts.