HAN DE VRIES OVER De jaren '60

Het Ned. Balletorkest o.l.v. Howard Williams m.m.v. Claron McFaddon (sopraan) en Han de Vries (hobo): 1/10 20.15 uur Yakultzaal Beurs van Berlage Amsterdam.

“Die jaren zestig - ja, het enthousiasme waarmee ik nu spreek, weerspiegelt het enthousiasme waarmee ik toen heb geleefd. Ik doe mee, ik maak geschiedenis, dát gevoel had je. Ik heb gespeeld bij Monteux, Klemperer, Rosbaud, Ancerl, Szell. Ik zag toen al, terwijl ik nog heel jong was, dat sommige mensen op een vreselijke manier werden aangepakt door de jonge garde en dat ze dat niet verdienden. Ik heb er tussenin gestaan, ik heb Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen en Peter Schat moeten uitleggen, waarom het ook heerlijk is met romantische ouderwetse dirigenten een grote symfonie te doen.”

De hoboïst Han de Vries, (“stokoud, net 53 geworden”), is een van de solisten tijdens een concert van het Nederlands Balletorkest, met muziek van Louis Andriessen uit de jaren zestig, die ook op de cd wordt gezet. De Vries speelt het aan hem opgedragen hoboconcert Anachronie II (1969). Han de Vries speelde tien jaar bij het Concertgebouworkest en vertrok na de Notenkrakersactie (1969). Het was dè jaren '60-gebeurtenis in de serieuze Nederlandse muziek, waarbij onder andere middels de verstoring van een concert van Bernard Haitink tevergeefs werd geprobeerd Bruno Maderna naast hem aangesteld te krijgen als dirigent voor de eigentijdse muziek.

“Vanaf mijn eindexamen in 1960 heb ik geschnabbeld bij het Concertgebouworkest, waarin mijn in '64 overleden leraar Haakon Stotijn hoboïst was. Ik was een warhoofd en een piepkuiken. Eugen Jochum riep soms 'Was macht der Kleine?' en dan bedoelde hij mij. Als ik niet in dat orkest had gezeten, was er niets van me terechtgekomen. Ik heb wel aanleg en doorzettingsvermogen, maar de absolute discipline van opstaan, half tien repetitie, partijen voorbereiden, met grote dirigenten werken en met mensen om je heen van wie het de eerste keer meteen goed moet wezen, dat heb ik daar geleerd. Ik gebruik nog steeds een agenda van Concertgebouworkest, ik weet op elk moment wat ze doen, mijn leven is nog steeds verbonden met die periode van intens geluksgevoel.

“Het is nu heel normaal dat dirigenten koffie drinken met de musici, maar toen waren dirigenten niet te zien, die gingen de trap op naar boven. Dat vond ik erg storend. Maderna was de eerste dirigent die na het concert zei: 'zullen we nog even naar het café gaan?

“Reinbert woonde bij mij in huis, Louis kwam ook heel vaak. Toch interesseerde ik mij niet erg voor het intellectuele van componeren, ik was meer gericht op de uitvoering. Het was wel zo dat als je als componist geen stampei maakte, je niet werd gespeeld. Het moest wel met agressie gaan, anders was er nooit iets veranderd. Ik heb trouwens nog steeds veel met Peter Schat, die een romanticus is en ongegeneerd idealistisch ten strijde trekt.

“Als ik in die Notenkrakerstijd op de Kring kwam, zeiden ze: 'dat jij daar nog met die reactionaire troep kunt spelen.' En in het orkest zeiden ze: 'mooi stelletje, die vrienden van je.' De actie heeft tenslotte het effect gehad waarop ik hoopte, dat er naast het Concertgebouworkest allerlei ensembles zouden ontstaan. Mensen die niet van nieuwe muziek houden, kun je dat ook niet afdwingen. Toen ik net bij het orkest was, zei Louis Metz tegen me: 'Zo jongen, weet jij het verschil tussen Verkade en het Concertgebouworkest? Nee? Nou, bij Verkade heb je tenminste nog muziek bij je werk.'

“Voor de musici was er vaak ook geen touw vast te knopen aan de muziek uit die periode, waarin alles zo vrij was. Dirigenten waren verkeersagenten met kartonnen borden: stop, doorgaan, groep V heeft voorrang, groep I moet wachten. Ik heb altijd mijn best gedaan omdat ik niet ben te shockeren. Ik ben altijd ín geweest voor alles. Ik vind: als er maar wat gebeurt, ik vind alles vreselijk spannend, ik heb premières gespeeld van Berio, Maderna, Penderecki en Bennett gespeeld, ik speelde onspeelbare partijen.

“Nu is het minder, maar vroeger was ik een fris modern typetje, ik had al heel vlug een sportwagen, pas later had Reinbert er een. Ik verlang wel terug naar die tijd met al die mensen om je heen. Ik zit nu 23 jaar in mijn eentje, al heeft dat grote voordelen. Je verlaat een groep omdat je niet helemaal happy bent met de mentaliteit en dan kom je bij groepen, die ook kankeren en waar het geen snars beter is. Ik heb me toen niet gerealiseerd dat dát het leven is. Het orkest is de maatschappij in het klein.”